In deze zaak stond de uitleg van een vaststellingsovereenkomst (VSO) centraal, gesloten na een kort geding over de uitkoop van aandelen in een besloten vennootschap. De eiseres vorderde betaling van een restant koopprijs, boetes wegens te late vaststelling van jaarstukken en overschrijding van investeringslimieten, alsmede vergoeding van kosten en rente.
De rechtbank stelde vast dat de VSO de eerdere aandeelhoudersovereenkomst en het kort geding vonnis verving en dat de koopprijs van € 5.250.000,- definitief was vastgesteld. De eiseres kon niet terugvallen op het kort geding vonnis voor een hogere koopprijs, ook niet bij vermeende tekortkomingen van de gedaagden. De boeteclausules werden afgewezen wegens het ontbreken van een ingebrekestelling en vanwege de geringe overschrijding van termijnen zonder aantoonbare schade.
Ook de vordering tot boete wegens overschrijding van het investeringsvolume faalde, omdat het gemiddelde investeringsvolume correct was berekend inclusief immateriële activa uit 2007. De kosten van beslaglegging en buitengerechtelijke kosten werden eveneens afgewezen. De rechtbank veroordeelde de eiseres in de proceskosten.