Eiser kreeg een bestuurlijke boete opgelegd en een aanvraag voor een Wwb-uitkering afgewezen. Verweerder herzag deels het boetebesluit en kende een lagere boete toe, trok een bezwaarbesluit in en wees een Wwb-uitkering toe. Het bezwaar tegen een ander besluit werd niet-ontvankelijk verklaard. Eiser stelde beroep in tegen het bestreden besluit, met name tegen de weigering van vergoeding van de kosten van bezwaar tegen twee primaire besluiten en de hoogte van de boete.
De rechtbank oordeelde dat vergoeding van de kosten van bezwaar tegen het besluit van 6 augustus 2014 (primair besluit 2) terecht was, omdat dit besluit was ingetrokken. Voor het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2014 (primair besluit 3) was geen vergoeding mogelijk omdat dit bezwaar niet tot herroeping had geleid. De hoogte van de boete werd niet betwist, mede omdat verweerder toezegde de boete aan te passen indien het teruggevorderde bedrag in hoger beroep zou wijzigen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover het de weigering van vergoeding betrof, kende vergoeding van de bezwaar- en proceskosten toe en bepaalde dat het griffierecht aan eiser werd vergoed. Eiser kon tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.