ECLI:NL:RBROT:2015:7575
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opschorting bankbeslag op spaarrekeningen wegens ontbreken spoedeisend belang
Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd ex artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro om het bankbeslag gelegd door een gerechtsdeurwaarder namens de Rabobank op hun spaarrekeningen bij ING op te schorten. Zij stelden dat zij door het beslag niet aan hun lopende verplichtingen konden voldoen en dat het minnelijke schuldsaneringstraject hierdoor in gevaar zou komen.
De rechtbank overwoog dat verzoekers beiden een baan hebben en dat het beslag slechts op spaarrekeningen is gelegd, terwijl het inkomen uit arbeid niet is beslagen en vrij beschikbaar blijft. Er is niet aannemelijk gemaakt dat het saldo op de spaarrekeningen noodzakelijk is voor het primaire levensonderhoud of dat het beslag leidt tot nieuwe schulden.
Verder concludeerde de rechtbank dat het minnelijk traject van schuldsanering reeds is afgerond en dat onvoldoende is gesteld dat een nieuwe schuld een belemmering zou vormen voor de gedwongen schuldregeling. Gezien het ontbreken van een spoedeisende situatie wijst de rechtbank het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek tot opschorting van het bankbeslag op spaarrekeningen wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisende situatie.