Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- de heer [naam 1], verzoeker;
- mevrouw [naam 2], werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: SHV).
2.Het verzoek
3.Het verweer
4.De beoordeling
5.De beslissing
van zes maanden;
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft op 30 juli 2015 een verzoek ingediend op grond van artikel 287b, eerste lid, Faillissementswet, om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van zijn huurwoning zou opschorten. De ontruiming was bevolen in een verstekvonnis van 18 juni 2015 vanwege een huurachterstand van ruim vijf maanden.
Ter zitting verklaarde verzoeker dat hij zijn salaris had gebruikt voor andere schulden en niet op de hoogte was van de mogelijkheid tot verzet tegen het vonnis. De Sociale Dienst Drechtsteden (SHV) gaf aan dat een stabilisatiefase was gestart, schulden overzichtelijk waren, een veilige bankrekening was geopend en dat verzoeker bereid was mee te werken aan schuldhulpverlening.
Verweerster stelde dat de huurachterstand onbetaald bleef en dat het vonnis terecht was. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een bedreigende situatie en dat het moratorium bedoeld is om schuldenaren een adempauze te geven om schuldenregelingen te treffen. Gezien de betaling van de lopende huurtermijnen en de begeleiding weegt het belang van verzoeker zwaarder dan dat van verweerster.
De rechtbank schortte de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de lopende termijnen tijdig worden voldaan. Tevens werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid tot een nieuw verzoek later.
Uitkomst: De rechtbank schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.