ECLI:NL:RBROT:2015:7709

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 augustus 2015
Publicatiedatum
29 oktober 2015
Zaaknummer
C/10/480911 / KG ZA 15-806
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling nakoming vonnis inzake verwijdering Facebook-rectificatie en dwangsommen

In deze kortgedingprocedure heeft de deurwaarder verzocht vast te stellen dat gedaagde niet heeft voldaan aan de veroordeling uit een eerder vonnis van 10 juni 2015, waarin gedaagde werd bevolen een rectificatie op haar eigen Facebookpagina te plaatsen.

De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of de uitvoering van deze veroordeling conform de inhoud en het doel daarvan heeft plaatsgevonden. Geconstateerd is dat gedaagde de rectificatie heeft geplaatst en openbaar heeft gezet, zoals bedoeld in het vonnis, hoewel de zichtbaarheid niet gelijk is aan die van de oorspronkelijke gewraakte pagina.

De rechter oordeelt dat de veroordeling niet vereist dat de rectificatie voor exact dezelfde personen zichtbaar moet zijn als de oorspronkelijke pagina, omdat dit niet uit de strekking van het vonnis volgt en niet was gevorderd.

Daarom is vastgesteld dat gedaagde aan de veroordeling heeft voldaan en geen dwangsommen zijn verbeurd. De proceskosten worden aan eiseres opgelegd. Een verklaring voor recht wordt niet gegeven omdat de voorzieningenrechter hiertoe niet bevoegd is.

Uitkomst: Gedaagde heeft voldaan aan de veroordeling tot publicatie van de rectificatie op haar Facebookpagina, waardoor geen dwangsommen zijn verbeurd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/480911 / KG ZA 15-806
Vonnis in kort geding van 26 augustus 2015
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. F. van Schaik,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster,
advocaat mr. J.F. Hardeman.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Op 16 juli 2015 heeft [persoon1] , als toegevoegd kandidaat-deurwaarder, gevestigd te Rotterdam (hierna ‘de deurwaarder’), zich bij de voorzieningenrechter vervoegd en hem verzocht een datum te bepalen voor een mondelinge behandeling en om vervolgens op de voet van artikel 438, vierde lid Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in kort geding tussen partijen te beslissen over de in het proces-verbaal van 10 juli 2015 opgenomen vraag.
De voorzieningenrechter heeft 20 augustus 2015 als datum voor een mondelinge behandeling bepaald. De deurwaarder heeft partijen van de zitting op de hoogte gesteld. De behandeling heeft in aanwezigheid van partijen en de deurwaarder vervolgens plaatsgevonden op 20 augustus 2015.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Rechtsoverwegingen

2.1.
Op 10 juni 2015 is tussen [eiseres] en [gedaagde] een vonnis gewezen. Het dictum van dat vonnis luidt:
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1
gebiedt [gedaagde] ervoor zorg te dragen dat de facebookpagina “oplichtster [eiseres] ” uiterlijk 24 juni 2015 door Facebook is verwijderd en deze facebookpagina verwijderd te houden;
5.2
verbiedt [gedaagde] in het openbaar, internet daaronder begrepen, [eiseres] te beschuldigen van oplichting, fraude, of andere misdrijven in relatie met de door [eiseres] vervulde functies bij Sarafina;
5.3
gebiedt [gedaagde] de reeds door haar geplaatste beschuldigingen en beledigingen op de pagina “Sarafina moet stoppen” te verwijderen;
5.4
verbiedt [gedaagde] portretten van [eiseres] openbaar te maken of op internet te publiceren, zonder toestemming van [eiseres] ;
5.5
gebiedt [gedaagde] de reeds door [gedaagde] op Facebook geplaatste portretten van [eiseres] te verwijderen;
5.6
gebiedt [gedaagde] binnen 12 uur na betekening van dit vonnis voor de duur van twee weken de volgende tekst te publiceren op haar eigen facebookpagina “ [gedaagde] ”:
“De voorzieningenrechter te Rotterdam heeft bij vonnis van 10 juni 2015 geoordeeld dat ik door het aanmaken van de facebookpagina “oplichtster [eiseres] ” in combinatie met de daarop geplaatste teksten en foto’s, onrechtmatig jegens [eiseres] heb gehandeld. Ik ben veroordeeld om die facebookpagina te verwijderen. Anders moet ik een dwangsom betalen.”;
5.7
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan een van de in r.o. 5.1, 5.2, 5.3, 5.4, 5.5 en 5.6 uitgesproken geboden en veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt, met uitzondering van de veroordeling tot verwijdering van de in r.o. 4.3 benoemde tekst op de facebookpagina “Sarafina moet stoppen”;
5.8
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.197,15;
5.9
verklaart dit vonnis, voor zover het de daarbij uitgesproken veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;
5.1
wijst het meer of anders gevorderde af.”
2.2.
De vraag van de deurwaarder luidt – kort gezegd – om vast te stellen dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de veroordeling onder 5.6 in het vonnis van 10 juni 2015.
2.3.
De executierechter heeft niet tot taak de door de dwangsomrechter besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen. Hij dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin, dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.
Daar waar de omschrijving van de veroordeling slechts in meer algemene termen is geformuleerd moet de draagwijdte van die veroordeling beperkt worden geacht tot die handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op het belang dat met de veroordeling is gediend, handelingen als door de rechter geboden, opleveren. Hiernaast geldt de algemene regel dat een in het dictum van een rechterlijk vonnis neergelegde veroordeling moet worden gelezen in verband met de overwegingen waarop zij steunt.
2.4.
Gelet op het hiervoor beschreven toetsingskader komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat [gedaagde] heeft voldaan aan de veroordeling onder 5.6 in het vonnis van 10 juni 2015 en dat door haar geen dwangsommen zijn verbeurd.
2.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de tekst zoals opgenomen in de beoordeling heeft opgenomen op haar eigen facebookpagina.
Ter zitting is geconstateerd dat [gedaagde] haar publicatie op ‘openbaar’ heeft gezet, op de wijze die (ook) de deurwaarder en [eiseres] voor ogen stond. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Als gevolg van de instellingen van facebook is de rectificatie echter kennelijk niet voor dezelfde personen zichtbaar, als de gewraakte facebookpagina “oplichtster [eiseres] “ was.
Voor zover de deurwaarder en [eiseres] menen dat uitleg van de veroordeling betekent dat de publicatie voor dezelfde personen zichtbaar moest zijn als de gewraakte facebookpagina “oplichtster [eiseres] ” was, acht de voorzieningenrechter dit standpunt onjuist.
Gebleken is dat het aspect van de mate van zichtbaarheid van de eigen facebookpagina van [gedaagde] in de procedure bij de voorzieningenrechter die heeft geleid tot het vonnis van 10 juni 2015 in het geheel niet aan de orde is gekomen. In die procedure werd gevorderd het
“publiceren op haar eigen facebookpagina “ [gedaagde] ”van een door de voorzieningenrechter te bepalen tekst.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is zonder nadere specificatie door [eiseres] van wat zij bedoelde met “haar eigen facebookpagina” niet uit de strekking en het doel van de veroordeling te begrijpen dat bedoeld werd een publicatie die zichtbaar zou zijn voor dezelfde personen als voor wie de gewraakte pagina zichtbaar was. Een dergelijke specificatie is niet gevorderd en niet gegeven. In deze situatie kan de voorzieningenrechter niet uitgaan van de juistheid van de door [eiseres] verdedigde uitleg van de veroordeling.
2.6.
De deurwaarder heeft verzocht om een verklaring voor recht. De voorzieningenrechter in kort geding kan geen verklaring voor recht geven, daarom zal worden volstaan met een beslissing als na te melden.
2.7.
De voorzieningenrechter overweegt dat de deurwaarder de bevoegdheid ex artikel 438 Rv Pro niet nodeloos heeft uitgeoefend, zodat geen aanleiding bestaat haar persoonlijk in de kosten te verwijzen. Nu de deurwaarder haar bevoegdheid tot het aanhangig maken van deze procedure met instemming van [eiseres] heeft uitgeoefend, zal [eiseres] als executant in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht 75,00
- salaris advocaat
816,00
Totaal € 891,00.
De proceskosten zullen ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
3.1.
verstaat dat [gedaagde] aan de veroordeling in 5.6 van het tussen partijen gewezen vonnis van 10 juni 2015 heeft voldaan en geen dwangsommen heeft verbeurd;
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 891,00,
3.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2015. [1]

Voetnoten

1.1634/676