De rechtbank Rotterdam behandelde op 29 oktober 2015 de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde, die eerder door het Gerechtshof Den Haag was veroordeeld wegens mensenhandel. De vordering was gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en betrof een bedrag van €27.793,70.
De verdediging voerde aan dat het bedrag lager moest worden vastgesteld, namelijk €8.396,85, op grond van verklaringen van het slachtoffer en een andere verdeelsleutel. De rechtbank onderzocht de inkomsten van het slachtoffer bij verschillende nachtclubs en aan een adres in Rotterdam, waarbij zij uitging van verklaringen van het slachtoffer, getuigen en bewijsmiddelen zoals UWV-overzichten en Blackberry Messenger berichten.
De rechtbank stelde vast dat het slachtoffer gedurende diverse periodes werkte bij meerdere nachtclubs en een adres, waarbij zij een deel van haar inkomsten aan de veroordeelde afdroeg. De rechtbank verwierp het verweer dat het slachtoffer niet bij een bepaalde nachtclub had gewerkt in een bepaalde periode, gelet op verklaringen en bewijs.
Uiteindelijk werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €16.150. De rechtbank legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Boek, voorzitter, en mrs. B.A. Cnossen en J. de Lange, rechters.