Eiser 1 diende een verzoek in op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) voor interne en externe correspondentie van de gemeente Dordrecht. Verweerder verstrekte afschriften, maar eisers maakten bezwaar tegen openbaarmaking van hun persoonsgegevens. De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging maakte tussen het openbaarmakingsbelang en het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
De rechtbank stelde vast dat ook persoonsgegevens van de aanvrager zelf beschermd dienen te worden en dat verweerder geen uitdrukkelijke instemming van eisers had om deze gegevens openbaar te maken. Hoewel verweerder aannam dat instemming bestond, had hij een nadere belangenafweging moeten maken. De rechtbank concludeerde dat openbaarmaking van naam en adres van eiser 1 en de handtekening van eiser 2 niet gerechtvaardigd was en daarom achterwege moest blijven.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de stukken openbaar worden gemaakt na verwijdering van de genoemde persoonsgegevens. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.