ECLI:NL:RBROT:2015:8372

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 november 2015
Publicatiedatum
18 november 2015
Zaaknummer
14/476
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbBesluit 1/80 Associatieraad EEG/Turkije
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit kinderbijslag wegens onvoldoende motivering en oplegging dwangsom

De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiser tegen twee besluiten van de Sociale verzekeringsbank betreffende de toekenning van kinderbijslag met terugwerkende kracht. In een eerdere tussenuitspraak had de rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom kinderbijslag niet met een terugwerkende kracht van vijf jaar kon worden toegekend en dat nader gemotiveerd moest worden waarom geen bijzondere omstandigheden bestonden voor een langere terugwerkende kracht.

Verweerder heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd op de tussenuitspraak en heeft de gebreken in het bestreden besluit van 27 februari 2014 niet hersteld. Hierdoor verklaart de rechtbank het beroep tegen dit besluit gegrond en vernietigt het besluit wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank legt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de eerdere overwegingen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per week opgelegd voor het geval verweerder niet tijdig beslist. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser.

Het beroep tegen het besluit van 6 december 2013 wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2015.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 27 februari 2014 wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 14/476

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 november 2015 in de zaak tussen

[eiser], te Dordrecht, eiser,
gemachtigde: mr. G.E.M. Later,
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder.

Procesverloop

De rechtbank heeft in dit geding op 28 juli 2015 tussenuitspraak gedaan. Voor het daaraan voorafgaande procesverloop verwijst de rechtbank naar deze tussenuitspraak.
Omdat verweerder niet binnen de gegeven termijn de geconstateerde gebreken heeft hersteld en ook niet aan de rechtbank heeft bericht dat geen gebruik zal worden gemaakt van de in de tussenuitspraak geboden gelegenheid om de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit te herstellen, is verweerder bij aangetekend verzonden brief van 28 september 2015 verzocht om binnen twee weken te reageren.
Verweerder heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd.
De rechtbank heeft hierop bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld - kort weergegeven - dat, gelet op het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (de minister) van
2 augustus 2012 en artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije, verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom aan eiser niet met een terugwerkende kracht van vijf jaar kinderbijslag kan worden toegekend.
1.2.
Verder is geoordeeld dat, voor zover ervan kan worden uitgegaan dat eiser in de periode van 1997 tot 2012 herhaalde malen procedures over zijn verblijfsrechtelijke status heeft gevoerd en er dus voor hem sprake was van een lange duur van verblijfsrechtelijke onzekerheid, van verweerder mag worden verlangd dat nader wordt gemotiveerd waarom in deze lange duur geen zeer bijzondere omstandigheid is gelegen op grond waarvan kinderbijslag kan worden toegekend met een verdergaande terugwerkende kracht dan vijf jaar.
2. Het beroep van eiser tegen het besluit van 6 december 2013 (bestreden besluit 1) is niet-ontvankelijk, omdat niet is gebleken van procesbelang bij een beoordeling van dit besluit.
3. Nu de gebreken in het besluit van 27 februari 2014 (bestreden besluit 2) niet zijn hersteld, verklaart de rechtbank het beroep tegen dat besluit gegrond. Bestreden besluit 2 wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
4. De rechtbank ziet in het bovenstaande aanleiding om verweerder op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op eisers bezwaren tegen de drie primaire besluiten van 6 juni 2013, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen.
5. Gelet op het uitblijven van enige reactie door verweerder op de tussenuitspraak van 28 juli 2015 ziet de rechtbank voorts aanleiding om toepassing te geven aan het zesde lid van artikel 8:72 van Pro de Awb door te bepalen dat verweerder aan eiser een dwangsom verbeurt van € 100, - per week dat niet binnen de termijn van zes weken op de bezwaren van eiser is beslist.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.960, - (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490, - en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • Verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 gegrond;
  • vernietigt bestreden besluit 2;
  • bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak een nieuw besluit op de bezwaren neemt met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom verbeurt van € 100, - voor iedere week dat verweerder in gebreke blijft met het nemen van een nieuw besluit;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 44, - vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.960, -, te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Bergen, voorzitter, en mr. H. Bedee en mr. I.S. Vreken-Westra, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2015.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.