In deze strafzaak diende een wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris mr. W.J. van Boven. Verzoekster stelde dat de aanwezigheid van een maatschappelijk werker als vertrouwenspersoon bij het getuigenverhoor zonder tijdige kennisgeving aan de verdediging een aanwijzing was voor partijdigheid.
De rechter-commissaris had de toelating van deze vertrouwenspersoon toegestaan op grond van artikel 187c Sv en zijn beslissing na hoor en wederhoor kort gemotiveerd gehandhaafd. De wrakingskamer heeft onderzocht of deze omstandigheden een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid opleverden.
De kamer oordeelde dat een rechter geacht wordt onpartijdig te zijn tenzij uitzonderlijke omstandigheden anders aantonen. De korte motivering van de rechter-commissaris en de toelating van de maatschappelijk werker boden geen zwaarwegende aanwijzingen voor partijdigheid.
Ook het argument dat de maatschappelijk werker mogelijk een onevenwichtig beeld van verzoekster zou krijgen en geen geheimhoudingsplicht heeft, leidde niet tot een ander oordeel. Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen.