Op 23 oktober 2015 vond een terechtzitting plaats in een strafzaak tegen verzoeker waarbij de rechter het verhoor van een deskundige leidde. Verzoeker voelde zich belemmerd in het stellen van vragen en stelde dat de deskundige meineed had gepleegd, hetgeen door de rechter werd genegeerd. Na de zitting diende verzoeker op 28 oktober 2015 een wrakingsverzoek in tegen de rechter.
De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk beoordeeld en vastgesteld dat het verzoek tijdig was ingediend, enkele dagen na de zitting en na een conflict met zijn raadsman. Het verzoek tot het horen van de voormalig advocaat van verzoeker als getuige werd afgewezen omdat dit geen bijdrage kon leveren aan de beoordeling van de klacht over partijdigheid.
De wrakingskamer oordeelde dat de rechter zijn taak als voorzitter naar behoren had vervuld, geen vooringenomenheid had getoond en de bevoegdheid had om irrelevante vragen niet te stellen. De vermeende meineed van de deskundige werd door de rechter genoteerd, maar vormde geen grond voor wraking. Klachten over politie, officier van justitie en burgemeester werden niet-ontvankelijk verklaard omdat deze niet tot de wrakingskamer behoorden.
Het verzoek tot wraking werd uiteindelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Verzoeker werd niet-ontvankelijk verklaard in overige klachten. De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige kamer voor wrakingszaken van de rechtbank Rotterdam op 4 november 2015.