Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Onderzoek op de terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaar met aftrek van voorarrest.
4.Ontvankelijkheid officier van justitie
5.Waardering van het bewijs
- Er is geen sprake van een contactspoor (of daderspoor) van de verdachte. De bewijswaarde van de aangetroffen sporen van de verdachte is derhalve gering.
- Er is geen enkel aanknopingspunt dat de conclusie zou kunnen rechtvaardigen dat de sieraden die worden vermist uit de woning aan de Boezemlaan zijn aangetroffen in de woning van de ouders van de verdachte in Polen.
- Er zijn ten minste twee concurrerende scenario’s die uit de bewijsmiddelen naar voren komen, die aannemelijker zijn dat het scenario dat de verdachte het feit zou hebben gepleegd.
op bladnummer 1 liggen sieraden die ik niet als mijn sieraden herken’. Op voornoemde foto staat in het midden een horloge afgebeeld, met een rechthoekige wijzerplaat en een schakelarmband en betreft het horloge waarvan later een studiofoto is gemaakt.
- Het verweer dat het horloge wellicht door [medeverdachte 1] is achtergelaten in de woning van de ouders van de verdachte, wordt verworpen gelet op de expliciete verklaring van de moeder van de verdachte, zoals hiervoor weergegeven. Zij, noch de vader van de verdachte, verklaren over [medeverdachte 1] , laat staan in concretere zin als iemand die spullen in hun woning zou hebben achtergelaten.
- Het verweer dat nu op de studiofoto de wijzerplaat zwart oogt en dat dit horloge derhalve zwart is en aldus niet het horloge van mevrouw [slachtoffer 1] kan zijn, wordt eveneens verworpen. Op de studiofoto (zie o.a. p. 1154, foto 3) oogt de wijzerplaat van het horloge zwart. Echter, op de foto met bladnummer 1 (p. 1010) oogt de kleur van deze zelfde wijzerplaat blauw. Kennelijk is de kleur van de wijzerplaat op de foto’s afhankelijk van de belichting.
- Of het horlogemerk Delbana wel of niet een bekend horlogemerk is, is een subjectief gegeven. Dat de zoon en schoondochter van het slachtoffer hebben aangegeven dat het horloge van een onbekend merk was, rechtvaardigt derhalve niet de conclusie dat het in Polen aangetroffen horloge van het merk Delbana niet het horloge van mevrouw [slachtoffer 1] kan zijn.
de EDAH-card:In het proces-verbaal van doorzoeking van de Poolse politie van 21 mei 1997 staat vermeld dat in de woonkamer van de ouders van de verdachte een EDAH-pas met nummer “828243” is aangetroffen (p. 939 van het dossier). Bij fax van 5 juni 1997 heeft de Vendex Food Group B.V. de politie meegedeeld dat deze kaart op naam stond van mevrouw [slachtoffer 3] .
Hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht - dat de kopie van de EDAH-pas die zich in het dossier bevindt niet een kopie is van de kaart die is aangetroffen in Polen, omdat de oorspronkelijke kaart rood van kleur moet zijn geweest - leidt niet tot een ander oordeel. De Poolse politie heeft immers (in elk geval) het kaartnummer van de EDAH-pas in het proces-verbaal genoteerd.
de Indus-horlogeketting en het Philips strijkijzer:Bij voornoemde doorzoeking is verder een Indus-horlogeketting aangetroffen (p. 940 van het dossier). Een studiofoto van dit horloge bevindt zich op p. 2326 van het dossier (foto 2). Op die studiofoto is een “steentje” bij 12 uur te zien. De moeder van de verdachte heeft tegenover de Poolse politie verklaard dat dit horloge niet van haar is, maar van haar zoons.
Er is geen enkele aanleiding om aan de juistheid van deze herkenningen te twijfelen, te meer niet nu het dossier ook een foto bevat waarop mevrouw [slachtoffer 3] te zien is met een soortgelijke horlogeketting om haar hals (p. 2326 van het dossier). Het verweer dat op die foto geen steentje bij 12 uur is te zien en het dus niet om een soortgelijk horloge zou gaan, wordt verworpen gelet op de hiervoor genoemde meervoudige herkenning.
Mevrouw [slachtoffer 3] heeft in de bijlage bij de aangifte vermeld dat bij de overval een Philips strijkijzer is weggenomen. Het in Polen aangetroffen strijkijzer is aan haar getoond en zij heeft verklaard dat dit strijkijzer op dat van haar lijkt. Verder hebben de zoon, de schoondochter en de dochter van mevrouw [slachtoffer 3] tegenover de politie verklaard dat hun moeder een soortgelijk strijkijzer in haar bezit had.
- De verdachte heeft verklaard dat hij destijds wel eens woningen renoveerde en dat het zou kunnen zijn dat hij in dat kader in de woning van mevrouw [slachtoffer 3] is geweest. In deze verklaring ontbreekt elk concreet en verifieerbaar aanknopingspunt om die lezing zelfs maar enigszins te kunnen controleren. Bovendien verklaart deze lezing niet de aanwezigheid van de goederen van het slachtoffer in de woning van zijn ouders in Polen. Deze verklaring van de verdachte wordt dan ook als volstrekt ongeloofwaardig terzijde geschoven.
- Het betoog van de verdediging dat [medeverdachte 1] mogelijk een pakketje met daarin de desbetreffende goederen aan de vader van de verdachte heeft gegeven, wordt om dezelfde redenen verworpen. Ook voor deze lezing is geen enkel aanknopingspunt in het dossier te vinden, ook niet in de verklaring van de vader van de verdachte die hij na de vondst van de aangetroffen goederen heeft afgelegd (p. 971 e.v.). Integendeel zelfs, want de moeder van de verdachte heeft specifiek verklaard dat de Indus-horlogeketting van haar zoons is en dat haar zoons het aangetroffen strijkijzer hebben meegebracht. Nu, zoals eerder ten aanzien van feit 1 (zaak Boezemlaan) is overwogen, de broer van de verdachte vanaf 25 juli 1995 in [plaats in Engeland] verbleef en niet meer in Polen is geweest, is de verdachte dus degene geweest die deze voorwerpen heeft meegenomen naar Polen.
nhoofd en het tongbeen van die [slachtoffer 1] zijn gebroken en
-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid
6.Strafbaarheid feiten
7.Strafbaarheid verdachte
8.Motivering straf
9.Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.Bijlagen
12.Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) jaren;
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen
€ 7.407,28, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 1995 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € 7.407,28 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
72 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.