De rechtbank Rotterdam behandelde het verzet tegen het faillissement van een voormalig vennoot van een vennootschap onder firma (vof). Opposant was per 1 januari 2013 uit de vof getreden en werd op 18 augustus 2015 failliet verklaard. Hij voerde aan dat hij niet in staat van faillissement verkeert omdat hij een eenmanszaak exploiteert die voldoende inkomsten genereert en betalingsregelingen met schuldeisers heeft getroffen.
De rechtbank stelde vast dat de vof per 23 augustus 2013 was uitgeschreven uit het handelsregister, maar dat het vermogen nog niet geheel was vereffend. De curator had een bedrag van € 8.802,50 ontvangen dat voldoende is om de vorderingen van geopposeerde, de Belastingdienst en andere schuldeisers te voldoen. Daarnaast was de marktwaarde van onroerend goed dat als zekerheid diende ruim voldoende om een hypothecaire lening te dekken.
Gezien deze feiten en de verklaringen van schuldeisers die onder voorwaarden akkoord gingen met vernietiging van het faillissement, concludeerde de rechtbank dat opposant niet is opgehouden te betalen. Daarom werd het faillissement vernietigd, het verzoek tot faillietverklaring afgewezen en het salaris van de curator op nihil gesteld.