Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2015:8956

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 september 2015
Publicatiedatum
8 december 2015
Zaaknummer
C/10/14/398 F
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15b FwArt. 3 FwArt. 292 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot omzetting faillissement in schuldsaneringsregeling niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot opheffing van zijn faillissement, uitgesproken op 22 april 2014, met gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling. De curator heeft positief geadviseerd over het verzoek.

De rechtbank beoordeelde eerst ambtshalve of verzoeker een beroep kon doen op artikel 15b, eerste lid, van de Faillissementswet. Dit artikel is niet van toepassing indien de gefailleerde tijdig een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend of het faillissement op eigen aangifte is uitgesproken. In deze zaak was het faillissement niet op eigen aangifte uitgesproken en had verzoeker wel tijdig een verzoek ingediend, dat door de rechtbank op 20 maart 2014 niet-ontvankelijk was verklaard.

Volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2010 geldt een niet-ontvankelijkverklaring als een afwijzing waartegen hoger beroep openstaat, maar verzoeker had geen hoger beroep ingesteld. Hierdoor kon verzoeker geen beroep doen op artikel 15b Fw. De rechtbank verklaarde het verzoek daarom niet-ontvankelijk. Een nieuw verzoek kan pas worden behandeld nadat het faillissement is afgewikkeld.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot opheffing van het faillissement en toepassing van de schuldsaneringsregeling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
niet-ontvankelijk verzoek opheffing faillissement en toepassing schuldsaneringsregeling
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 29 september 2015
[naam] ,
wonende te [adres]
[woonplaats] ,
verzoeker,
curator: mr. J.P.M. Borsboom.

1.De procedure

Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn op 22 april 2014 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 22 september 2015.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De standpunten

Bij brief van 7 september 2015 heeft de curator positief geadviseerd ten aanzien van het verzoek tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Verzoeker heeft zijn standpunten ter zitting toegelicht.

3.De beoordeling

Alvorens tot een inhoudelijke behandeling van het verzoekschrift over te kunnen gaan, dient ambtshalve de vraag te worden beantwoord of verzoeker een beroep op artikel 15b, eerste lid van de Faillissementswet, hierna Fw, toekomt. De voorwaarde die de wet in artikel 15b, eerste lid Fw stelt, is dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid Fw geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend of indien het faillissement is uitgesproken op eigen aangifte van de schuldenaar.
In dit geval is niet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarde voldaan . Immers, het faillissement is niet op eigen aangifte van verzoeker uitgesproken en verzoeker heeft juist
weleen verzoek als bedoeld in artikel 3, eerste lid Fw ingediend. Verzoeker is in dit verzoek door deze rechtbank bij vonnis van 20 maart 2014 niet-ontvankelijk verklaard. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 29 januari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK4947) is het oordeel van de rechtbank dat verzoeker niet-ontvankelijk is, aan te merken als een afwijzing van het verzoek, waartegen op grond van artikel 292 lid 3 Fw Pro hoger beroep openstaat. Verzoeker heeft echter indertijd geen hoger beroep tegen het vonnis van 20 maart 2014 ingesteld. Dat zijn eerdere verzoek dus niet ‘inhoudelijk’ is behandeld, zoals verzoeker stelt, is in dat verband niet relevant.
Verzoeker is vervolgens op 22 april 2014 door deze rechtbank in staat van faillissement verklaard.
Met inachtneming van het voorgaande komt aan verzoeker geen beroep op artikel 15b, eerste lid Fw toe. Verzoeker dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek.
Daargelaten de inhoudelijke beoordeling van en de beslissing op een nieuw verzoek tot toelating zal verzoeker pas ontvangen kunnen worden in een dergelijk verzoek op de voet van artikel 284 en Pro 285 Fw nadat het faillissement is afgewikkeld.

4.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot opheffing van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk, rechter, en in aanwezigheid van A. Vervoorn, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 september 2015. [1]