5.2.Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen, voor zover zij bij of krachtens de wet daartoe de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten.
Het tweede lid bepaalt dat, voor zover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, betreft, de mate van het gevaar wordt vastgesteld op basis van:
a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,
b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,
c. de aard van de relatie en
d. de grootte van de verkregen of te verkrijgen voordelen.
Op grond van het vierde lid, aanhef en onder c, staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan.
Het vijfde lid bepaalt dat de weigering dan wel intrekking, bedoeld in het eerste lid, slechts plaatsvindt indien deze evenredig is met de mate van het gevaar en voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, betreft, de ernst van de strafbare feiten.
Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet Bibob kan een gemeentelijke vergunning, die op grond van een verordening verplicht is gesteld voor een inrichting of bedrijf, door het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3.
6. Gelet op het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter met partijen van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
7. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:117, moet voor het aannemen van een zakelijk samenwerkingsverband een zakelijke relatie bestaan die is gericht op samenwerking en een zeker duurzaam en structureel karakter heeft. Daarnaast heeft de Afdeling herhaaldelijk geoordeeld dat de aanwezigheid van een familierelatie in combinatie dat met het gegeven dat allen in dezelfde branche werkzaam zijn, al aanwijzingen zijn voor een mogelijk samenwerkingsverband (zie bijvoorbeeld de uitspraken ECLI:RVS:2007:BB3818 en ECLI:NL:RVS:2006:AX4420). 8. Tussen partijen is niet in geschil dat [achterneef] (niet onherroepelijk) is veroordeeld voor het plegen van valsheid in geschrifte, het witwassen van illegaal verdiend geld, illegale handel in vuurwerk en deelname aan een criminele organisatie en dat hij en zijn bedrijven groot financieel voordeel hebben behaald. In geschil is de vraag of verzoekster in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat of heeft gestaan. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. Daartoe wordt het volgende overwogen.