In deze zaak diende een wrakingsverzoek tegen rechter mr. W.P.M. Jurgens, verbonden aan de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team kanton II. Verzoeker stelde dat de rechter zich vooringenomen had getoond door het onverwacht inbrengen van confraternele correspondentie zonder voorafgaande toestemming en door een geïrriteerde houding die verzoeker onvoldoende gelegenheid gaf zijn betoog te doen.
De wrakingskamer heeft het verzoek inhoudelijk onderzocht en vastgesteld dat de rechter kritische vragen stelde naar aanleiding van de processtukken en stellingen van partijen, hetgeen binnen zijn taak valt. De rechtbank is niet gebonden aan gedragsregels voor advocaten en mocht vragen stellen over confraternele correspondentie. Uit de zittingsaantekeningen bleek geen sprake van onevenwichtige rechtspleging en verzoekers advocaat had voldoende gelegenheid om te reageren.
De wrakingskamer oordeelde dat er geen objectieve feiten waren die een vooringenomenheid van de rechter aannemelijk maakten. De vrees van verzoeker voor partijdigheid was niet objectief gerechtvaardigd. Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en afgewezen.
De beslissing werd uitgesproken door een meervoudige kamer bestaande uit drie rechters en de griffier, op 23 december 2015, na behandeling van het verzoek op 18 december 2015.