ECLI:NL:RBROT:2015:9871

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 december 2015
Publicatiedatum
19 januari 2016
Zaaknummer
C/10/484687 / HA ZA 15-951
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WgbzArt. 127a lid 2 RvArt. 127 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet tijdige betaling griffierecht leidt tot aanhouding zaak

De rechtbank Rotterdam behandelde een civiele procedure tussen Mei Sum Investment B.V. en een gedaagde uit Capelle aan den IJssel over niet tijdige betaling van het griffierecht. Mei Sum betaalde het griffierecht pas vijf dagen na de termijn, wat te laat was volgens de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz).

Mei Sum voerde aan dat de late betaling het gevolg was van het niet ontvangen van een factuur en dat er een rekening-courant verhouding zou zijn met het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), maar deze bleek niet te bestaan. Mei Sum stelde dat ontslag van de instantie tot onredelijk nadeel zou leiden omdat de termijn voor het starten van de procedure was verstreken.

De rechtbank stelde Mei Sum in de gelegenheid zich nader uit te laten over het ontbreken van de rekening-courant verhouding en hield verdere beslissing aan. De zaak werd verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door Mei Sum.

Uitkomst: De rechtbank houdt de zaak aan en verwijst deze naar de rol voor nadere toelichting over de rekening-courant verhouding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/484687 / HA ZA 15-951
Vonnis van 2 december 2015
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MEI SUM INVESTMENT B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. R.A.W.J. van Eijck,
tegen
[gedaagde],
wonende te Capelle aan den IJssel,
gedaagde,
advocaat mr. M.H. Meeuwsen.
Partijen zullen hierna Mei Sum en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 31 augustus 2015, met producties;
  • de akte van Mei Sum van 4 november 2015.
1.2.
Ten slotte is het vonnis bepaald op heden.

2.De overwegingen

2.1.
Op grond van artikel 3 lid 1 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) is iedere verschenen partij in een civiele procedure een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van die bepaling dient de eiser ervoor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerstdienende dag op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. Voor de gedaagde geldt een termijn van vier weken na zijn verschijning.
2.2.
De zaak diende voor het eerst op 16 september 2015. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht van Mei Sum pas op 19 oktober 2015 is ontvangen. Dat is te laat.
2.3.
Op grond van artikel 127a lid 2 Rv ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie als de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. Op grond van artikel 127 lid 3 Rv Pro laat de rechter deze consequentie buiten toepassing als hij van oordeel is dat dit, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2.4.
Bij akte heeft Mei Sum aangevoerd dat zij te laat heeft betaald omdat zij nooit een factuur van de rechtbank heeft ontvangen. Toen de eerste aanmaning is ontvangen heeft mr. Van Eijck namens Mei Sum dezelfde dag het griffierecht betaald waardoor de termijn met slechts vijf dagen is overschreden. Voorts wordt aangegeven dat het kantoor van mr. Van Eijck een rekening-courant verhouding heeft met het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR). Deze rekening-courant verhouding is al op 20 augustus 2012 aangevraagd en verwerkt. Het griffierecht is niet van de rekening-courant verhouding afgeboekt. Voorts voert Mei Sum aan dat indien de rechtbank ontslag van instantie verleent dit zou leiden tot een onredelijk nadeel van Mei Sum omdat de onderhavige zaak een verklaringsprocedure betreft. De termijn om een dergelijk procedure aanhangig te maken is op 17 oktober 2015 verstreken. Mei Sum kan [gedaagde] niet opnieuw dagvaarden. Mei Sum verzoekt de zaak weer op de rol te plaatsen voor het nemen van conclusie van antwoord aan de zijde van gedaagde.
2.5.
Uit ambtshalve navraag bij het LDCR over de landelijk rekening-courant blijkt dat het kantoor van mr. Van Eijck, sinds de invoering hiervan, geen landelijk rekening-courant verhouding heeft met de gerechten.
2.6.
De rechtbank zal Mei Sum in de gelegenheid stellen om zich over hierover uit te laten bij akte.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
16 december 2015voor het nemen van een akte door Mei Sum tot hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.5.,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2015.
2130/1980