Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding
- de door partijen overgelegde producties
- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging, van [tussenkomende partij]
- de akte houdende nadere toelichting van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van [eiseressen]
- de pleitnota van [gedaagde]
- de pleitnota van [tussenkomende partij] .
2.De feiten
duidelijk grensoverschrijdend belang.”
45. [gedaagde] kan worden gezien als een publiekrechtelijke instelling (en daarmee als een aanbestedende dienst) indien zij (i) specifiek ten doel heeft te voorzien in behoeften van algemeen belang, anders dan van industriële of commerciële aard, (ii) rechtspersoonlijkheid bezit en (iii) - onder meer - het beheer is onderworpen aan toezicht door een andere publiekrechtelijke instelling of de leden van het bestuur voor meer dan de helft door een andere publiekrechtelijke instelling zijn aangewezen. Niet is betwist dat aan voorwaarde (ii) en (iii) is voldaan. Uit het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-44/96, Mannesmann Anlagenbau, ECLI:EU:C:1998:4, volgt echter dat het enkele feit dat [gedaagde] een 100% dochtermaatschappij is van [gedaagde] (en als zodanig rechtspersoonlijkheid heeft), niet volstaat om [gedaagde] zelf ook als publiekrechtelijke instelling te kwalificeren. Daarnaast dient [gedaagde] te voldoen aan de voorwaarde, dat zij is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van algemeen belang anders dan van industriële of commerciële aard.
28. […] De eerste grief van [eiseressen] is gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat geen sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang.
3.Het geschil
- een (nieuwe) concessiehouder is verplicht om desgevraagd nieuwe abri’s te plaatsen. De (nieuwe) concessiehouder moet nieuwe objecten moet kunnen leveren die aansluiten bij de bestaande uitstraling/vormgeving. Het intellectueel eigendomsrecht van de abri’s berust bij [tussenkomende partij] , zodat [tussenkomende partij] een belangrijk voordeel heeft.
4.De beoordeling
19 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de plaatsing van opdrachten die, gelet op hun waarde, buiten het toepassingsgebied van de richtlijnen betreffende de plaatsing van overheidsopdrachten vallen, niettemin onderworpen aan de fundamentele regels en de algemene beginselen van het VWEU, in het bijzonder aan het beginsel van gelijke behandeling en het verbod van discriminatie op grond van nationaliteit, alsook aan de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting, voor zover de betrokken opdrachten, gelet op bepaalde objectieve criteria, een duidelijk grensoverschrijdend belang vertonen (zie in die zin arresten van 15 mei 2008, SECAP en Santorso, C‑147/06 en C‑148/06, EU:C:2008:277, punten 20 en 21; 11 december 2014, Azienda sanitaria locale n. 5 „Spezzino” e.a., C‑113/13, EU:C:2014:2440, punten 45 en 46; 18 december 2014, Generali-Providencia Biztosító, C‑470/13, EU:C:2014:2469, punt 32, en 16 april 2015, Enterprise Focused Solutions, C‑278/14, EU:C:2015:228, punt 16).
1. De looptijd van een concessieopdracht wordt door de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf geraamd op basis van de gevraagde werken of diensten.