ECLI:NL:RBROT:2016:10332

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 november 2016
Publicatiedatum
21 april 2017
Zaaknummer
C/10/507958 / FT EA 16/1972
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FaillissementswetArt. 285 Faillissementswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw

Verzoeker diende op 9 augustus 2016 een verzoekschrift in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Tijdens de zitting op 21 november 2016 heeft verzoeker zijn situatie toegelicht. Hij ontvangt inkomsten uit arbeid en heeft een schuldenlast van € 26.454,69.

De rechtbank toetst of verzoeker te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek. Uit het dossier blijkt dat verzoeker verkeersboetes heeft bij het CJIB, ontstaan in 2013-2014, welke niet te goeder trouw zijn ontstaan. Daarnaast is gebleken dat verzoeker in 2013 een onderneming is gestart zonder zelf een ondernemingsplan te schrijven en zonder boekhouding bij te houden. Verzoeker heeft verklaard dat de onderneming in 2014 niet van de grond kwam en dat hij daardoor schulden heeft opgebouwd.

De rechtbank concludeert dat verzoeker, na een eerder faillissement, lichtzinnig een nieuwe onderneming is gestart zonder adequate administratie. Dit leidt tot de conclusie dat de schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan of onbetaald gelaten. Er zijn geen feiten of omstandigheden die toelating tot de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens ontbreken van goede trouw.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 28 november 2016
[naam],
[adres]
[woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 9 augustus 2016 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van
21 november 2016.

2.De feiten

Verzoeker ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet Pro € 26.454,69.

3.De beoordeling

Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Om te beginnen heeft verzoeker schulden bij het CJIB van in totaal € 1.048,-. Uit een overzicht van het CJIB, ingekomen bij de rechtbank op 7 november 2016, blijkt dat deze schulden betrekking hebben op verkeersboetes, ontstaan met diverse voertuigen in de periode 2013-2014. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan.
Ter terechtzitting is door verzoeker voorts verklaard dat een deel van de schulden voortkomt uit de onderneming die verzoeker als eenmanszaak heeft gevoerd. In de verklaring van verzoeker zelf, die zich in het dossier bevindt, schrijft verzoeker dat hij in 2013 een onderneming is begonnen maar dat hij daarvoor niet zelf een ondernemingsplan kon schrijven. Hij heeft dit uitbesteed voor een bedrag van € 1.200,00. Hierdoor konden andere rekeningen niet worden betaald. Verzoeker heeft voorts verklaard dat de onderneming in 2014 niet van de grond kwam en dat hij daardoor in de schulden is geraakt.
Ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard dat hij zichzelf wel capabel achtte om de onderneming te starten en dat hij daarvoor ook een ondernemerstest had gedaan, maar dat hij niet kan boekhouden. Verzoeker dacht erover om dat uit te besteden. Uit de schuldenlijst die bij het verzoek is gevoegd maakt de rechtbank op dat verzoeker bij aanvang van de onderneming in ieder geval 2 schulden had (Vodafone uit 2012 en Wehkamp uit 2011). Uit het voornoemde kan de rechtbank geen andere conclusie trekken dan dat het ervoor moet worden gehouden dat verzoeker – na een eerder faillissement - lichtzinnig een nieuwe onderneming is gestart. Er is bovendien geen boekhouding beschikbaar. In beginsel zijn de ondernemingsschulden daarom niet te goeder trouw ontstaan en/of onbetaald gelaten.
Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Geurts-de Veld, rechter, en in aanwezigheid van
mr. E.C. Padberg-de Haan, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 november 2016. [1]