ECLI:NL:RBROT:2016:10366

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 november 2016
Publicatiedatum
6 juni 2017
Zaaknummer
C/10/503681 / FT EA 16/1461
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling dwangakkoord wegens onvoldoende afloscapaciteit

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van een dwangakkoord in het kader van een schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft beoordeeld of het aanbod van verzoeker het maximaal haalbare is, waarbij met name de berekening van het vrij te laten bedrag (VTLB) centraal stond.

Uit de stukken blijkt dat verzoeker in zijn berekening van de woonkosten de volledige bruto annuïteit van de hypotheek van de partner heeft opgenomen, inclusief aflossing, terwijl volgens het VTLB-rapport alleen de betaalde hypotheekrente en overige woonlasten als woonkosten mogen worden gerekend. Daarnaast is het fiscale voordeel op de hypotheekrente niet in mindering gebracht, wat de afloscapaciteit ten onrechte lager doet lijken.

De rechtbank stelt vast dat verzoeker ook niet alleen zijn netto aandeel in de woonkosten heeft genomen, zoals voorgeschreven in de huwelijkse voorwaarden. Hierdoor is de afloscapaciteit in het aanbod niet volledig benut. De rechtbank is daarom onvoldoende overtuigd dat het aanbod het maximaal haalbare is.

Gelet op het belang van de schuldeiser Woonfonds weegt dit zwaarder dan het belang van verzoeker en overige schuldeisers. Daarom wordt het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord afgewezen. Verzoeker heeft aangegeven het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te handhaven, waarop de rechtbank bij afzonderlijke beslissing zal ingaan.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt afgewezen wegens onvoldoende benutting van de afloscapaciteit.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 16 november 2016
in de zaak van:
[naam 1],
wonende te [adres] ,
[woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Na het tussenvonnis van 16 september 2016 in onderhavige procedure heeft de rechtbank van schuldhulpverlening per faxbericht van 22 september 2016 de navolgende stukken ontvangen:
  • overzicht hypotheek [naam 2] ;
  • polis 2016 [naam 2] ;
  • polis 2016 verzoeker;
  • voorlopige aanslag 2016 [naam 2] ;
  • aanslag 2015 [naam 2] ;
  • voorlopige aanslag 2016 [naam 2] ;
  • voorlopige aanslag 2016 verzoeker;
  • aanslag 2015 verzoeker;
  • voorlopige aanslag 2015 verzoeker;
  • mededeling beslag onder belastingdienst.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

Verzoeker heeft aan de door hem aangeboden schuldregeling een berekening vrij te laten bedrag d.d. 18 augustus 2016 (hierna vtlb-berekening) ten grondslag gelegd waar een bedrag van € 717,45 als woonkosten is vermeld en ten laste is gebracht van verzoeker.
Uit de op 22 september 2016 door de rechtbank ontvangen stukken valt af te leiden dat het bedrag van woonkosten ad € 717,45 de volledige maandelijkse annuïteit betreft van de hypotheek op de eigen woning van de partner van verzoeker met wie hij op huwelijkse voorwaarden is gehuwd. De annuïteit bestaat uit de componenten bruto rente en aflossing. Verzoeker heeft, blijkens de berekening d.d. 18 augustus 2016, geen rekening gehouden met het te behalen fiscale voordeel op de bruto hypotheekrente.
Uit het VTLB-rapport blijkt uit artikel 3.3.8 Eigen Woning dat als woonkosten de betaalde hypotheekrente, erfpacht en overige kosten worden aangemerkt. Aflossingen op een bestaande hypothecaire lening vormen geen woonkosten. Verder is in genoemd rapport (pagina 19) vermeld dat in een situatie waarbij de Wsnp op slechts één van partners van toepassing is en er geen sprake is van gemeenschap van goederen, het fiscale voordeel in mindering dient te worden op de bruto hypotheeklasten.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker de uitgangspunten uit het VTLB-rapport, welke tijdens de wettelijke schuldsaneringsregeling worden gevolgd, niet volledig in acht heeft genomen en dat wanneer verzoeker zulks wel zou hebben gedaan, zijn afloscapaciteit aanzienlijk hoger zou zijn. Verder stelt de rechtbank vast dat de afloscapaciteit van verzoeker verder zou toenemen wanneer verzoeker, in de vtlb-berekening, overeenkomstig artikel 2 van Pro de huwelijks voorwaarden alleen zijn (netto) aandeel in de woonkosten voor zijn rekening zou nemen in plaats van de volledige bruto annuïteit.
Uit vorenstaande volgt dat verzoeker niet zijn volledige afloscapaciteit in zijn aanbod heeft verdisconteerd en dit leidt ertoe dat de rechtbank er onvoldoende van is overtuigd dat het aanbod van verzoeker het maximaal haalbare is.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van Woonfonds zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om voornoemde schuldeiser te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen. De rechtbank zal, nu verzoeker kenbaar heeft gemaakt zijn verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te handhaven als het verzoek tot vaststellen van een dwangakkoord wordt afgewezen, bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans, rechter, en in aanwezigheid van E.J. van Gruijthuijsen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 november 2016. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.