ECLI:NL:RBROT:2016:10489

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
12 september 2016
Publicatiedatum
20 augustus 2018
Zaaknummer
ROT 16/2139
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 10 WobArt. 11 WobVerordening (EU) 2015/1348
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verzoek tot beperking kennisneming vertrouwelijke stukken in bestuursrechtelijke zaak tegen ACM

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) en verzocht om inzage in vertrouwelijke stukken die ACM slechts beperkt toegankelijk wil maken op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechter-commissaris beoordeelt of er gewichtige redenen zijn om de kennisneming van deze stukken te beperken. Hierbij weegt hij het belang van partijen om over relevante informatie te beschikken af tegen het belang om openbaarmaking te voorkomen die onevenredige schade kan veroorzaken. ACM voert aan dat openbaarmaking van bepaalde stukken, waaronder transcripties van mondelinge verklaringen van een clementieverzoeker, ondernemingen kan afschrikken om clementie te vragen, wat het mededingingsrecht schaadt.

De rechter-commissaris acht de door ACM aangevoerde redenen voldoende voor beperking van kennisneming van de vertrouwelijke stukken. Voor de mondelinge verklaringen wordt een bijzondere regeling getroffen: eiseres mag deze stukken inzien op de griffie van de rechtbank, maar geen kopieën maken. Dit wordt gezien als een passende balans tussen het verdedigingsbelang en het belang van vertrouwelijkheid.

De beslissing bevestigt de toepassing van artikel 8:29 Awb Pro en biedt een zorgvuldige afweging van belangen in bestuursrechtelijke procedures met vertrouwelijke informatie.

Uitkomst: Beperking van kennisneming van vertrouwelijke stukken is gerechtvaardigd; inzage mondelinge verklaringen op griffie zonder kopie toegestaan.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
Enkelvoudige kamer
zaaknummer: ROT 16/2139
Beslissing van de rechter-commissaris als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht
in het geding tussen:
[naam], eiseres,
gemachtigde: mr. R. Elkerbout,
en
de Autoriteit Consument en Markt(hierna: ACM), verweerster.

1.Aanleiding

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van ACM van 17 februari 2016 (Zaaknummer: [...] ).
Bij brief van 29 april 2016 heeft ACM de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank gezonden.
Ten aanzien van (gedeelten van) stukken heeft ACM daarbij, op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de bestuursrechter medegedeeld dat uitsluitend hij daarvan kennis zal mogen nemen en verzocht met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb te beslissen dat de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is.
Eiseres heeft op het verzoek van ACM gereageerd.

2.Beoordeling

1. Artikel 8:29 van Pro de Awb luidt als volgt:
“1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
2. Gewichtige redenen zijn voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen.
3. De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
4. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.”
2.1.
Ter beoordeling staat de vraag of er gewichtige redenen zijn om beperking van de kennisneming gerechtvaardigd te achten voor de stukken waarop de mededeling van ACM als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Awb betrekking heeft.
2.2.
Deze mededeling betreft de als vertrouwelijk aangemerkte stukken die zijn genoemd in de bij de brief van 29 april 2016 behorende inventarislijst.
2.3.
Daarnaast heeft ACM verzocht om een bijzondere behandeling van de transcripties van de mondelinge verklaringen van clementieverzoeker [naam] (“mondelinge verklaringen”) door deze niet in kopie aan eiseres te verstrekken, maar eiseres in de gelegenheid te stellen van de stukken kennis te nemen door inzage ervan op de griffie van de rechtbank onder voorwaarde dat alsdan geen kopie van de stukken mag worden gemaakt.
3.1.
Wat de onder 2.2. bedoelde stukken betreft overweegt de rechter-commissaris het volgende. De beantwoording van de vraag of er gewichtige redenen zijn vergt een afweging van belangen. Enerzijds zijn daarbij aan de orde het belang dat partijen over en weer gelijkelijk beschikken over de voor de beslechting van het geschil relevante informatie, alsmede het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Anderzijds speelt hierbij dat openbaarmaking het belang van een partij of van derden onevenredig kan schaden. Bij deze afweging komt voorts betekenis toe aan de aard van het bestreden besluit en de gronden waarop op grond van de artikelen 10 en 11 van de Wet openbaarheid van bestuur uitzondering kan worden gemaakt op openbaarheid van informatie.
3.2.
De rechter-commissaris heeft kennis genomen van het dossier en van de vertrouwelijke versie van de stukken. De rechter-commissaris is van oordeel dat op de gronden door ACM aangevoerd in de brief van 29 april 2016 er voldoende gewichtige redenen zijn om de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd te achten ten aanzien van de stukken waarvoor het verzoek is gedaan.
4.1.
Wat de onder 2.3. bedoelde stukken betreft overweegt de rechter-commissaris het volgende. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat de voorgestelde behandeling valt onder de reikwijdte van artikel 8:29 van Pro de Awb. Hoewel het voorstel niet inhoudt dat “uitsluitend” de rechter van de stukken kennis mag nemen, gaat het bij de toepassing van dit artikel in essentie om de vraag of over te leggen stukken aan alle partijen dienen te worden overgelegd.
Ten aanzien van de in 3.1 genoemde belangenafweging heeft ACM betoogd dat het clementieprogramma een belangrijke bijdrage levert aan publieke handhaving van het mededingingsrecht door het effectief opsporen en beëindigen van kartels en dat de vrees bestaat dat ondernemingen worden afgeschrikt om clementie te vragen wanneer andere partijen de beschikking krijgen over kopieën van de mondelinge verklaringen. Deze zouden, in handen van derden, een rol kunnen gaan spelen in civielrechtelijke schadevorderingsprocedures.
Vooralsnog kan ervan worden uitgegaan dat het clementieprogramma de gestelde belangrijke rol speelt. Dit kan mede worden afgeleid uit de uitspraak van het Hof van Justitie EU van 14 juni 2011 (ECLI:EU:C:2011:389; r.o. 25) en Verordening (EU) 2015/1348 van de Commissie van 3 augustus 2015 (preambule onder 3 en 4).
Daar staat tegenover dat eiseres zoveel mogelijk over de gelijke stukken moet kunnen beschikken, in het bijzonder waar het gaat om de verdediging tegen een opgelegde boete. De te maken belangenafweging noopt niet tot een keuze tussen het wel of niet in kopie verstrekken van de in geding zijnde stukken. Het verdedigingsbelang noopt ertoe dat eiseres zoveel mogelijk kennis kan nemen van de informatie die aan het boetebesluit ten grondslag ligt, en in het bijzonder van de informatie op grond waarvan het onderzoek naar de gestelde gedragingen is gestart. Aan het verdedigingsbelang is tegemoet gekomen in die zin dat ACM in de administratieve fase reeds de ‘bijzondere behandeling’ heeft toegepast door eiseres op haar kantoor inzage te geven in de mondelinge verklaringen. Eiseres heeft daarvan gebruik gemaakt.
Niet gebleken is dat deze wijze van kennis nemen van de informatie eiseres wezenlijk heeft gehinderd in haar verdediging. Zo zijn de stukken bijvoorbeeld niet bijzonder omvangrijk. Er is daarom, gelet op de wederzijdse belangen, geen reden om in de rechterlijke fase ten aanzien van diezelfde informatie het ervoor te houden dat uitsluitend het in kopie verstrekken van de mondelinge verklaringen aan eiseres recht kan doen aan het verdedigingsbelang.
4.2.
De rechter-commissaris zal ACM daarom volgen in het voorstel de mondelinge verklaringen (zoals opgenomen in de toegezonden blauwe mappen en op de inventarislijst genummerd als stukken 4 en 54) op de griffie van de rechtbank voor eiseres ter inzage te leggen. Eiseres kan op afspraak van de stukken kennis nemen, zonder er een kopie van te mogen maken, in de periode van 23 september 2016 tot en met 7 oktober 2016.

3.Beslissing

De rechter-commissaris beslist dat beperking van de kennisneming van de stukken waarvoor het verzoek is gedaan gerechtvaardigd is
Aldus gegeven op 12 september 2016 door mr. H. Bedee, rechter-commissaris.
Tegen deze beslissing kan slechts tegelijkertijd met het eventuele hoger beroep tegen de einduitspraak van de rechtbank hoger beroep worden ingesteld.
Afschrift verzonden op: