In een strafrechtelijk onderzoek naar faillissementsfraude en omkoping legde het openbaar ministerie op grond van artikel 94a Sv beslag op bankrekeningen en vorderingen van de klager, die stelde eigenaar te zijn van deze gelden met een reëel zakelijk motief. De officier van justitie had aanvankelijk toegezegd een deel van het beslag op te heffen, maar kwam hier later op terug.
De rechtbank oordeelde dat de klager op de toezegging mocht vertrouwen en dat de officier van justitie onvoldoende concreet en onderbouwd het strafvorderlijk belang bij het resterende beslag had aangetoond. Het enkele argument van familiale relatie tussen klager en belanghebbende was ontoereikend.
De rechtbank stelde vast dat het beslag onrechtmatig was en dat de klager niet de dupe mocht worden van het ontoereikend zijn van het beslag voor het veiligstellen van verhaalsrechten. Het beklag werd gegrond verklaard en de teruggave van het beslag gelast.
De procedure vond plaats in raadkamer, waarbij het klaagschrift meerdere keren werd behandeld en de belanghebbende werd gehoord. De beslissing werd genomen door een meervoudige raadkamer van de rechtbank Rotterdam op 23 februari 2016.