ECLI:NL:RBROT:2016:1802

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
10 februari 2016
Publicatiedatum
10 maart 2016
Zaaknummer
C/10/490184 / HA ZA 15-1218
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 351 RvArt. 223 RvArt. 210 RvArt. 208 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging verstekvonnis en toewijzing vordering tot vrijwaring

In deze civiele zaak vordert de opposant de schorsing van de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Hij stelt dat hij onvoldoende tijd had om verweer te voeren en dat de tenuitvoerlegging onomkeerbare gevolgen kan hebben, zoals executoriale verkoop van zijn woning. Tevens verzoekt hij om oproeping in vrijwaring van HA-Groep B.V.

De rechtbank overweegt dat de wettelijke grondslag voor schorsing in een verzetprocedure ontbreekt en dat de vordering als een executiegeschil op grond van artikel 223 Rv Pro moet worden beoordeeld. Er is geen sprake van een noodtoestand die onmiddellijke schorsing rechtvaardigt, mede omdat de opposant geen inzicht gaf in zijn financiële situatie en onvoldoende onderbouwing leverde voor onomkeerbare schade.

De rechtbank wijst het verzoek tot schorsing af en veroordeelt de opposant in de proceskosten. De vordering tot oproeping in vrijwaring wordt toegewezen, aangezien de opposant voldoende heeft gesteld en hiertegen geen verweer is gevoerd. De zaak wordt op 24 februari 2016 opnieuw op de rol gezet voor beraad over een comparitie.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis wordt afgewezen en vordering tot vrijwaring toegewezen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/490184 / HA ZA 15-1218
Vonnis in incident van 10 februari 2016
in de zaak van
[opposant],
wonende te [woonplaats 1] ,
opposant in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. M. de Bakker te Rotterdam,
tegen

1.[geopposeerde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
2.
[geopposeerde 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
geopposeerden in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [opposant] en [geopposserden] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verstekvonnis van 21 oktober 2015, met het daarin genoemde processtuk;
  • de verzetdagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot schorsing van de executie of het stellen van de voorwaarde tot zekerheidstelling alsmede de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring van 24 november 2015, met producties;
  • de incidentele conclusie van antwoord van 30 december 2015.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident in de verzetprocedure.

2.Het geschil in het incident

2.1.
[opposant] vordert in het incident dat de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis dat is gewezen tussen opposant en geopposeerden wordt geschorst voor de duur van het geding, subsidiair dat er door geopposeerden zekerheid gesteld moet worden. [opposant] voert hiertoe – kort gezegd – aan dat hij na ontvangst van de inleidende dagvaarding een brief aan de rechtbank, sector kanton, heeft verzonden met het verzoek om uitstel omdat hij met vijf werkdagen te weinig tijd heeft om de vordering te betwisten dan wel een advocaat te zoeken. In reactie op zijn brief heeft de rechtbank, sector kanton, de brief van [opposant] retour gezonden met de vermelding dat de zaak niet voor komt in het systeem. Tevens voert [opposant] aan dat de gevolgen van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis voor [opposant] onomkeerbaar zullen zijn. Het bedrag dat gemoeid gaat met de veroordeling ad € 55.802,54 kan hij niet voldoen zonder externe financiering. De kans is daarom aanzienlijk dat onomkeerbare maatregelen genomen zullen worden zoals executoriale verkoop van zijn woning en/of goederen.
Daarnaast vordert [opposant] in het incident dat HA-Groep B.V., gevestigd te Zoetermeer, in vrijwaring wordt opgeroepen.
2.2.
[geopposeerde 1] . verzoekt de rechtbank om [opposant] in het verzoek tot schorsing van de executie of zekerheidsstelling niet-ontvankelijk te verklaren althans dat verzoek af te wijzen. In het incident tot oproeping in vrijwaring refereren [geopposserden] zich aan het oordeel van de rechtbank.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3.De beoordeling in het incident

De incidentele vordering tot schorsing van de executie of zekerheidstelling

3.1.
Het incident tot schorsing van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is geregeld in artikel 351 Rv Pro. Dat artikel, dat deel uitmaakt van Afdeling 3 (‘
Van de regtspleging in hooger beroep en de gevolgen van hetzelve’) van Titel 7 van Boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna wederom: Rv), heeft echter uitsluitend betrekking op de in hoger beroep in te stellen incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar-bij-voorraad-verklaring van het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld. Artikel 351 Rv Pro heeft dus geen betrekking op de vordering in een verzetprocedure tot schorsing van de uitvoerbaar-bij-voorraad-verklaring van het verstekvonnis waartegen verzet is ingesteld. In zoverre heeft [geopposeerde 1] . gelijk met zijn stelling dat een wettelijke grondslag voor de onderhavige incidentele vordering ontbreekt.
3.2.
Het staat een partij - in beginsel - vrij om in kort geding te trachten de schorsing of staking van de tenuitvoerlegging van een verstekvonnis te verkrijgen. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat de aldus toe te passen beoordelingscriteria niet (wezenlijk) verschillen van die van genoemd artikel 351 Rv Pro zal de rechtbank de incidentele vordering van [opposant] als een executiegeschil beoordelen. Nu de vordering is ingesteld in het kader van een lopende bodemprocedure voor de duur van die procedure, moet de vordering worden beschouwd als een vordering op grond van artikel 223 Rv Pro.
3.3.
Uitgangspunt is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van [geopposeerde 1] ., nu zijn vordering bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is toegewezen. Alleen indien [geopposeerde 1] . geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis kan deze verboden worden. Daarvan kan sprake zijn indien het vonnis berust op een juridische of feitelijke misslag of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten een noodtoestand doen ontstaan voor [opposant] op grond waarvan een onverwijlde tenuitvoerlegging niet aanvaardbaar is.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van aan het licht gekomen feiten die een noodtoestand doen ontstaan voor [opposant] op grond waarvan onverwijlde tenuitvoerlegging niet aanvaardbaar is. Zo heeft [opposant] geen inzicht gegeven in zijn financiële omstandigheden waaruit zou moeten blijken dat er een noodtoestand zal ontstaan. De stelling dat bij de executie van het vonnis onomkeerbare maatregelen genomen zullen worden, is onvoldoende onderbouwd. Ook het verweer van [opposant] dat hij door de sector kanton van deze rechtbank op het verkeerde been is gezet, doet aan dit oordeel niet af. In de periode tussen de betekening van de dagvaarding en de reactie op de brief van [opposant] van de griffier van de rechtbank, sector kanton, zit een termijn van 14 dagen. In een dergelijk tijdsbestek had [opposant] - in plaats van een brief te schrijven aan de rechtbank - juridisch advies kunnen inwinnen, zodat het verstek tijdig gezuiverd had kunnen worden. Dat [opposant] dit niet heeft gedaan, dient dan ook voor zijn rekening te komen. Gelet hierop ziet de rechtbank ook geen grond voor het stellen van een voorwaarde aan de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis. In dit verband overweegt de rechtbank nog dat degene die een nog niet kracht van gewijsde gegaan vonnis executeert op eigen risico handelt en aansprakelijk is voor de als gevolgen daarvan door zijn wederpartij geleden schade.
Het incident tot vrijwaring
3.5.
De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is tijdig en vóór alle weren genomen. Op de voet van artikel 210 jo Pro. 208 Rv. kan de opposant in zijn dagvaarding iemand in vrijwaring oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat wordt gesteld dat de waarborg krachtens zijn rechtsverhouding tot de gewaarborgde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling in de hoofdzaak te dragen.
3.6.
[opposant] heeft hiertoe voldoende gesteld en door [geopposeerde 1] . is hiertegen geen verweer gevoerd. De rechtbank zal de vordering tot vrijwaring toewijzen.
De kosten in het incident
3.7.
[opposant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident tot schorsing executie of zekerheidstelling
4.1.
wijst de vordering af,
4.2.
veroordeelt [opposant] in de kosten van het incident, aan de zijde van [geopposeerde 1] . tot op heden begroot op € 452,00,
in het incident tot vrijwaring
4.3.
staat toe dat HA-Groep B.V., gevestigd te Zoetermeer, door [opposant] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van
24 februari 2016,
in de hoofdzaak
4.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
24 februari 2016voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.
Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2016.
2130/1980