ECLI:NL:RBROT:2016:2193
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tussentijdse beëindiging van schuldsaneringsregeling ondanks nieuwe schulden
De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van schuldenares, die onder beschermingsbewind is gesteld. De bewindvoerder had verzocht de regeling te beëindigen wegens het ontstaan van nieuwe bovenmatige schulden en vermeende tekortkomingen in de nakoming van verplichtingen.
Uit het GGD-rapport bleek dat schuldenares niet in staat was reguliere arbeid te verrichten, waardoor zij werd vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Hoewel nieuwe schulden waren ontstaan, heeft schuldenares aannemelijk gemaakt niet geheel zelfstandig aan de verplichting om geen nieuwe bovenmatige schulden te maken te kunnen voldoen. Inmiddels is zij onder beschermingsbewind gesteld, wat de rechtbank als een mogelijkheid ziet om het tij te keren.
De rechtbank oordeelt dat de enkele omstandigheid dat schuldenares mogelijk niet in staat zal zijn de nieuwe schulden binnen de looptijd in te lossen onvoldoende is voor tussentijdse beëindiging. Een tekortkoming aan het einde van de regeling staat alleen aan de schone lei in de weg indien deze aan schuldenares kan worden toegerekend, wat niet op voorhand kan worden aangenomen.
De rechtbank wijst het verzoek tot tussentijdse beëindiging af en benadrukt dat schuldenares haar verplichtingen voortaan strikt moet naleven om beëindiging zonder schone lei te voorkomen.
Uitkomst: De rechtbank weigert de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling omdat schuldenares onder beschermingsbewind staat en niet toerekenbaar tekortschiet.