Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 23 december 2015;
- het proces-verbaal van comparitie van 7 maart 2016.
2.De feiten
3.Het geschil
in conventie
4.De beoordeling
in conventie en in reconventie
5.De beslissing
1573
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure vordert eiser een verklaring voor recht dat een schikking uit 1996 gelijkgesteld moet worden met een rechterlijke uitspraak en dat hij bevoegd is deze te executeren. Gedaagde voert verweer en vordert tevens betaling van kosten.
De rechtbank stelt vast dat de schikking is vastgelegd in een proces-verbaal dat voor executie vatbaar is, maar dat de vordering is verjaard volgens de korte verjaringstermijn van artikel 3:307 BW Pro, zoals bevestigd door een arrest van de Hoge Raad uit 2015. Hierdoor wordt de vordering afgewezen.
Gedaagde stelt dat eiser misbruik van procesrecht heeft gemaakt door de procedure te starten ondanks de kansloze vordering, en vordert vergoeding van daadwerkelijk gemaakte proceskosten. De rechtbank oordeelt echter dat geen sprake is van misbruik van procesrecht en veroordeelt eiser slechts in de proceskosten op basis van het liquidatietarief.
In reconventie vordert gedaagde vergoeding van buitengerechtelijke kosten gemaakt ter voorkoming van een kort geding. De rechtbank acht deze kosten aannemelijk en toewijsbaar, maar matigt het gevorderde bedrag.
De rechtbank wijst de hoofdvordering af, veroordeelt eiser in proceskosten en betaling aan gedaagde, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Vordering tot executie schikking afgewezen wegens verjaring, eiser veroordeeld in proceskosten en betaling aan gedaagde.