De zaak betreft een geschil over de vraag of de twee maanden freelancewerkzaamheden voorafgaand aan de eerste arbeidsovereenkomst meetellen voor de ketenregeling van artikel 7:668a (oud) BW, waardoor de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou zijn omgezet in een contract voor onbepaalde tijd.
De eiser verrichtte vanaf januari 2013 freelancewerkzaamheden voor de gedaagde stichting, waarna vanaf maart 2013 opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd werden gesloten. De eiser stelde dat de freelanceperiode als verkapt dienstverband moet worden aangemerkt, zodat de ketenregeling van toepassing is.
De kantonrechter oordeelde dat de freelanceperiode feitelijk een overeenkomst van opdracht was, waarbij partijen de intentie hadden om pas later een arbeidsovereenkomst aan te gaan. De omstandigheden en e-mailcorrespondentie bevestigden dat er geen gezagsverhouding bestond die kenmerkend is voor een arbeidsovereenkomst in die periode.
Daarom telt de freelanceperiode niet mee voor de ketenregeling, en is de arbeidsovereenkomst niet omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. De vorderingen van de eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.