De Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland verzocht namens de minderjarige om machtiging tot een afwijkende verdeling van de ontbonden gemeenschap van goederen na overlijden van de vrouw, waarbij de man de nalatenschap heeft verworpen en de minderjarige beneficiair heeft aanvaard.
De kantonrechter oordeelde dat de nalatenschap een geringe waarde heeft en dat de schulden de baten ruimschoots overtreffen, waardoor de kosten van wettelijke vereffening de negatieve boedel onevenredig zwaar belasten. Daarom werd de vereffening opgeheven en de reeds gemaakte kosten vastgesteld.
Verder werd ontheffing van de publicatieplicht verleend omdat het in niemands belang is extra kosten te maken, mede gezien de bekendheid van schuldeisers en de mogelijkheid tot internetpublicatie. De beschikking werd uitgesproken tijdens een openbare zitting.