ECLI:NL:RBROT:2016:3897
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens ontbreken minnelijk traject en onvoldoende goede trouw
Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling met een schuldenlast van ruim € 631.000 en zonder inkomen. De rechtbank oordeelde dat het verzoek niet ontvankelijk was omdat niet aannemelijk was gemaakt dat een minnelijke regeling met schuldeisers was beproefd. Hoewel enkele betalingsregelingen waren aangeboden, ontbrak een gezamenlijk akkoord en een transparant voorstel aan alle schuldeisers.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat verzoekster niet aannemelijk had gemaakt dat zij te goeder trouw was gebleven ten aanzien van haar schulden, mede vanwege het faillissement van haar vennootschap en het ontbreken van inspanningen om schulden af te lossen. Ook was onvoldoende aannemelijk dat verzoekster de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling zou nakomen, mede door psychosociale problemen en het ontbreken van sollicitatie-inspanningen.
De rechtbank concludeerde dat gegronde vrees bestond dat verzoekster haar verplichtingen niet zou nakomen en dat het verzoek daarom moest worden afgewezen. Het vonnis werd gewezen door rechter A.J. van Spengen op 11 januari 2016.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens het ontbreken van een deugdelijk minnelijk traject en onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw en nakoming van verplichtingen.