ECLI:NL:RBROT:2016:4279
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende inspanningen
Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens een schuldenlast van ruim €352.000. De rechtbank beoordeelde of verzoekster te goeder trouw was geweest bij het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het verzoek, en of zij zich voldoende zou inspannen om aan de verplichtingen te voldoen.
De rechtbank stelde vast dat verzoekster met haar toenmalige partner meerdere hypotheken en kredieten had afgesloten, waarvan de woningen uiteindelijk door de bank werden geveild, met aanzienlijke restschulden tot gevolg. Hoewel deze schulden buiten de vijfjaarsperiode vielen, oordeelde de rechtbank dat verzoekster deze schulden niet te goeder trouw onbetaald had gelaten. Verzoekster had onvoldoende sollicitaties overlegd en gaf aan arbeidsongeschikt te zijn, maar was niet adequaat behandeld voor haar depressie, wat de rechtbank onvoldoende aannemelijk achtte als beheersbaar.
Verder waren er recente schulden ontstaan in 2014 en 2015, wat de rechtbank deed vrezen dat verzoekster haar verplichtingen niet naar behoren zou nakomen. Hoewel verzoekster sinds april 2015 geen nieuwe schulden meer had gemaakt, waren deze ontwikkelingen nog te recent en onvoldoende bestendig. De rechtbank concludeerde dat verzoekster onvoldoende inspanningen had verricht en onvoldoende goede trouw had getoond, en wees het verzoek daarom af.
De rechtbank gaf aan dat verzoekster bij stabilisatie van haar situatie een nieuw verzoek kan indienen. Het vonnis werd gewezen door rechter A.J. van Spengen op 18 april 2016.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende inspanningen.