Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[eiser 1],
[eiser 1],
[gedaagde],
[gedaagde],
[gedaagde],
[gedaagde],
[gedaagde],
[gedaagde],
[gedaagde],
1.De procedure
- de tussenvonnissen van 19 augustus 2015;
- de samenvatting juridische standpunten ten behoeve van comparitie tevens akte houdende producties van D-Age;
- de notitie ten behoeve van comparitie van partijen van Diavolezza c.s.;
- het proces-verbaal van comparitie van 12 november 2015;
- de brief van mr. Prenger namens alle gedaagden behoudens [gedaagde] van 26 november 2015;
- de brief van mr. De Soede van 7 december 2015;
- de brief met bijlage van mr. Van den Muijsenbergh van 8 december 2015;
- de brief van mr. De Jong Schouwenburg van 9 december 2015;
- de brief van mr. Van den Muijsenbergh van 18 december 2015.
2.De feiten
IN AANMERKING NEMENDE:
NRC Handelsbladvan 10 januari 2012, lopende de appelprocedure, is aandacht besteed aan het onderhavige conflict. In het artikel komt onder andere de volgende passage voor:
3.Het geschil
4.De beoordeling
NRC Handelsblad, verschenen na het vonnis van de rechtbank van 21 december 2011, uit te spreken dat (toch) sprake is van bedrog en omkoping. Ook hierdoor hebben Diavolezza c.s. reputatieschade geleden.
geenafstand hebben gedaan van hun recht om de vaststellingsovereenkomst op grond van bedrog te vernietigen – daargelaten de vraag of een dergelijke afstand juridisch houdbaar zou zijn geweest. In dit verband speelt ook een rol dat, zo is ter comparitie gebleken, de tekst van artikel 14 is Pro aangeleverd door (adviseurs aan de zijde van) D-Age, dus door de partij die belang had bij een zo ruim mogelijke omschrijving van de uit te sluiten rechtsmaatregelen. De rechtbank ziet zich in deze uitleg gesteund door de verklaring ter zitting namens D-Age dat haar advocaat tijdens het onderhandelingsproces desgevraagd heeft gezegd, naar het de rechtbank voorkomt: op goede grond, dat een uitsluiting van de mogelijkheid van vernietiging wegens bedrog niet mogelijk is. Niet valt in te zien dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, die door Diavolezza c.s. ter zitting als “invulling van de bestaande grondslag” is genoemd, tot een andere uitleg aanleiding geeft.
NRC Handelsbladgeldt dat daarvan in redelijkheid niet kan worden gezegd dat enigerlei grens is overschreden. Integendeel, uit de in 2.16 geciteerde passage uit het desbetreffende artikel, en in die zin heeft [gedaagde] ook ter zitting (onweersproken) verklaard, blijkt dat het initiatief van de betrokken journalist is uitgegaan en dat [gedaagde] zelf zich in terughoudende bewoordingen heeft uitgelaten.