De zaak betreft een voormalig schoolgebouw in Rotterdam dat door de eigenaar [gedaagde3] in 2015 werd verhuurd aan [gedaagde4], die het pand wilde kopen maar de financiering niet rond kreeg en geen huur betaalde. [gedaagde4] verhuurde het pand onder aan meerdere onderhuurders, waaronder eisers die commerciële en religieuze activiteiten ontplooiden. Na verkoop van het pand aan [gedaagde1] ontstond onduidelijkheid over de rechtspositie van de onderhuurders.
Eisers vorderden een verbod op ontruiming en toegang tot het gehuurde tot november 2016, met schadevergoeding. Gedaagden vorderden ontruiming met inzet van politie. De voorzieningenrechter oordeelde dat de hoofdhuurovereenkomst tussen [gedaagde3] en [gedaagde4] was geëindigd, waardoor ook de onderhuurovereenkomsten waren beëindigd en eisers zonder recht of titel verbleven.
De rechter vond echter dat ontruiming vóór 1 november 2016 onzorgvuldig zou zijn vanwege commerciële en religieuze belangen van eisers en hun investeringen. Daarom werd een tijdelijk verbod op ontruiming opgelegd en toegang via de vooringang gegarandeerd. Na 1 november 2016 moeten eisers het pand ontruimen. Geldvorderingen van eisers werden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. Proceskosten werden deels gecompenseerd.