Verzoeker diende wrakingsverzoeken in tegen de rechtbank Rotterdam en kantonrechter P. Vlaswinkel, stellende dat sprake zou zijn van schending van de redelijke termijn, incomplete procesdossiers en slechte telefonische bereikbaarheid van de griffier, wat zijn verdediging zou schaden.
De wrakingskamer oordeelde dat wraking alleen mogelijk is tegen de rechter die de zaak behandelt en dat verzoeker niet-ontvankelijk is voor het wrakingsverzoek tegen de rechtbank als geheel. Ten aanzien van de kantonrechter werd overwogen dat er geen feiten of omstandigheden waren die een gegronde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen.
Ook werd geoordeeld dat de beoordeling van de redelijke termijn en volledigheid van het dossier bij de eigenlijke zaakbehandeling hoort plaats te vinden en niet vooraf in een wrakingsprocedure. De telefonische bereikbaarheid van de griffier werd niet als relevant geacht voor de onpartijdigheid van de kantonrechter.
Daarom werden de wrakingsverzoeken afgewezen en het verzoek tegen de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing werd uitgesproken door drie rechters in aanwezigheid van de griffier op 14 april 2016.