ECLI:NL:RBROT:2016:6184

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 juli 2016
Publicatiedatum
10 augustus 2016
Zaaknummer
503473 / HA RK 16-464
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 lid 1 RvArt. 87 FwArt. 105 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek tegen rechter-commissaris in faillissementsprocedure

Verzoeker, bestuurder van een failliete besloten vennootschap, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris die toezicht hield op de curator in de faillissementsprocedure. Het verzoek betrof vermeende partijdigheid van de rechter-commissaris, mede ingegeven door diens reactie op klachten over de curator.

De feiten waarop het wrakingsverzoek was gebaseerd, waren verzoeker sinds april 2016 bekend, waaronder de schriftelijke reactie van de rechter-commissaris en de voordracht tot verzekerde bewaringstelling in april 2016. Het wrakingsverzoek werd echter pas op 10 juni 2016 ingediend, na ontvangst van een oproep voor behandeling van de voordracht.

De rechtbank oordeelde dat het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend zoals vereist volgens artikel 37 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De reden van verzoeker, dat hij andere prioriteiten had, rechtvaardigde geen late indiening. Daarom werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in het wrakingsverzoek.

De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer voor wrakingszaken van de rechtbank Rotterdam en uitgesproken op 1 juli 2016.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek wegens te late indiening.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer voor wrakingszaken
Zaaknummer / rekestnummer: 10/503473 / HA RK 16/464
Beslissing van 1 juli 2016
op het verzoek van
[naam verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
procederend in persoon,
strekkende tot wraking van:
mr. A.M. van Kalmthout, rechter-commissaris in de rechtbank Rotterdam, afdeling Privaat, team Insolventie (hierna: de rechter-commissaris).

1.Het procesverloop en de processtukken

Verzoeker is bestuurder van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam vennootschap] B.V. (hierna: [naam vennootschap]). Bij vonnis van 15 januari 2016 is [naam vennootschap] in staat van faillissement gesteld, met benoeming van
mr. S.A. Hattink tot curator. Deze procedure draagt als kenmerk/insolventienummer C/10/16/30 F.
1.2
Op 1 april 2016 heeft een faillissementsverhoor ex artikel 105 van Pro de Faillissementswet (Fw) plaatsgevonden, waarbij verzoeker ten overstaan van de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd. Bij brieven van 5 april 2016 en 14 april 2016 heeft verzoeker bij de rechter-commissaris een tweetal klachten tegen de curator ingediend. Bij brief van
18 april 2016 heeft de rechter-commissaris op deze klachten gereageerd. Op 22 april 2016 heeft de rechter-commissaris op grond van artikel 87 Fw Pro de rechtbank verzocht [naam verzoeker] in verzekerde bewaring te stellen. Bij brief van 10 juni 2016 heeft verzoeker de rechter-commissaris gewraakt.
1.3
De wrakingskamer heeft, naast het wrakingsverzoek met bijlagen, kennis genomen van het dossier van de hiervoor omschreven procedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van verhoor van 1 april 2016.
Verzoeker alsmede de rechter-commissaris zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.
De rechter-commissaris is in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter-commissaris heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft per e-mailbericht van 14 juni 2016 een schriftelijke reactie met bijlagen ingediend.
1.5
Ter zitting van 17 juni 2016, waar het wrakingsverzoek is behandeld, is verzoeker verschenen. Voorts is ter zitting verschenen mr. S.A. Hattink, curator.
De rechter-commissaris heeft voorafgaand aan de zitting te kennen gegeven niet ter zitting te zullen verschijnen. Verzoeker heeft ter zitting zijn standpunt (nader) toegelicht.

2.Het verzoek en de reactie daarop

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker -kort en zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.
Gelet op het feit dat in het faillissement een voordracht tot inbewaringstelling is gedaan maakt verzoeker aanspraak op een zorgvuldige behandeling. Ten aanzien van deze zorgvuldigheid heeft verzoeker meerdere klachten ingediend. Een van de belangrijkste taken van de rechter-commissaris is het toezicht houden op de curator. De schriftelijke reactie van de rechter-commissaris van 18 april 2016 op zijn klachten over de curator in zijn brieven van 5 april 2016 en 14 april 2016 heeft verzoeker ervaren en samengevat als “de curator is onaantastbaar”. Dit heeft het vertrouwen van verzoeker in de rechtsgang zodanig beïnvloed dat een verlammend effect is ontstaan. Door de voorgestelde behandeling acht verzoeker zich gedwongen om het verlammend effect te doorbreken. Verzoeker is tot de conclusie gekomen dat de het voorgaande minimaal het vermoeden oproept dat de objectiviteit van de rechter-commissaris in het geding is. Derhalve rest hem geen andere mogelijkheid dan een verzoek tot wraking te doen.
2.2
De rechter-commissaris heeft niet in de wraking berust en heeft verzocht verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel het verzoek af te wijzen.
De rechter-commissaris bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat geen sprake is van een omstandigheid die een grond tot wraking kan opleveren.

3.De beoordeling

3.1
Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een verzoek tot wraking dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat door verzoeker geuite vrees voor vooringenomenheid van de rechter door objectieve factoren gerechtvaardigd is.
In de eerste plaats is aan de orde de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan, namelijk zodra de feiten en omstandigheden waarop het wrakingsverzoek is gegrond aan verzoeker bekend waren geworden, een en ander zoals artikel 37 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vereist.
De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende.
Verzoeker heeft aan zijn verzoek tot wraking ten grondslag gelegd zijn twijfels aan de objectiviteit van de rechter-commissaris. In het kader van het faillissement van [naam vennootschap] heeft verzoeker op 1 april 2016 ten overstaan van de rechter-commissaris een verklaring afgelegd, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Nadat de rechter-commissaris bij brief van 18 april 2016 schriftelijk heeft gereageerd op de brieven van verzoeker van 5 april 2016 en 14 april 2016, heeft de rechter-commissaris op 22 april 2016 een voordracht tot verzekerde bewaringstelling gedaan. De feiten en omstandigheden waarop het verzoek tot wraking is gegrond zijn verzoeker derhalve sinds april 2016 bekend. De behandeling van de voordracht van de rechter-commissaris is vervolgens door de rechtbank gepland op 10 juni 2016.
3.4
Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wraking dient te worden gedaan onmiddellijk na het bekend worden van de feitelijke grond(en) tot wraking, waarbij slechts een korte tijd voor beraad acceptabel is.
In dit geval is die termijn ruimschoots overschreden. Verzoeker heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek nader toegelicht dat hij andere prioriteiten had en pas naar aanleiding van de ontvangst van de oproep van de rechtbank van 3 juni 2016 voor de behandeling van de voordracht het wrakingsverzoek heeft ingediend. Dit rechtvaardigt niet de late indiening van het wrakingsverzoek. Het pas indienen van het wrakingsverzoek op 10 juni 2016 kan niet worden aangemerkt als “zodra de feiten of omstandigheden bekend zijn geworden”.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen luidt de conclusie dat verzoeker niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het wrakingsverzoek.

4.De beslissing

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van mr. A.M. van Kalmthout.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. M.G.L. de Vette en
mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, rechters en door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2016 in tegenwoordigheid van mr. C.J.C. Korteland, griffier.
Verzonden op:
aan:
-
-
-
-