ECLI:NL:RBROT:2016:6595

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 augustus 2016
Publicatiedatum
24 augustus 2016
Zaaknummer
ROT-16_7934
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om vrijstelling griffierecht in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 25 augustus 2016 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure waarbij eiser, een inwoner van Rotterdam, een verzoek om vrijstelling van het griffierecht heeft ingediend. Dit verzoek werd afgewezen door de rechtbank. De zaak begon met een besluit van de Staatsecretaris van Veiligheid en Justitie, die op 11 september 2015 de aanvraag van eiser om een Verklaring omtrent het gedrag afwees. Eiser ging in bezwaar, maar dit bezwaar werd op 19 november 2015 ongegrond verklaard. Hierop heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Tijdens de zitting op 2 juni 2016 was eiser aanwezig, terwijl de Staatsecretaris zich liet vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank overwoog dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierechten verschuldigd zijn en dat indien deze niet tijdig worden betaald, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Eiser had verzocht om vrijstelling van het griffierecht, maar de rechtbank oordeelde dat hij niet voldeed aan de criteria voor betalingsonmacht. Eiser had een uitkering op basis van de Participatiewet, maar de rechtbank concludeerde dat zijn situatie niet wezenlijk verschilde van die van andere uitkeringsgerechtigden. Eiser had aangegeven dat hij door schulden en een lage uitkering in financiële problemen verkeerde, maar de rechtbank oordeelde dat hij niet kon worden vrijgesteld van het griffierecht.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep van eiser niet-ontvankelijk, omdat hij niet aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan. De uitspraak werd gedaan door rechter mr. E.R. Houweling en is openbaar uitgesproken op dezelfde datum. Eiser heeft de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3
zaaknummer: ROT 15/7934

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser] te Rotterdam, eiser,

en

de Staatsecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R. Faassen.

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om een Verklaring omtrent het gedrag afgewezen.
Bij besluit van 19 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2016. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt door de griffier van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven.
Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb bepaalt dat, indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
2. Bij brief van 16 december 2015 heeft de rechtbank eiser erop gewezen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling dat een dergelijk recht verschuldigd is, bijgeschreven moet zijn op de rekening van de rechtbank. Het griffierecht is niet binnen deze termijn betaald.
3. Bij brief van 9 januari 2016 heeft eiser een verzoek gedaan om vrijstelling van de verplichting griffierecht te betalen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen bij brief van
9 februari 2016. Eiser voldoet niet aan het criterium uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282). Daarin is bepaald dat het netto inkomen lager moet zijn dan 90% van de voor een alleenstaande geldende maximale norm voor de bijstand. Eiser is bij brief van 10 februari 2016 gevraagd het griffierecht alsnog binnen vier weken na de dag van verzending van die brief te voldoen. Op 10 maart 2016 is een herinnering verzonden met opnieuw een termijn van vier weken. Eiser heeft het griffierecht niet betaald.
4. Eiser beroept zich op betalingsonmacht. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij regelingen heeft getroffen met zijn schuldeisers, waardoor hij na de ontvangst van zijn uitkering direct een hoog bedrag moet afstaan. Per maand houdt hij ongeveer € 80,- over om van te leven. Noodgedwongen is hij weer bij zijn moeder gaan wonen, die slechts het minimumloon verdient. Zijn grootmoeder woont ook op dit adres.
5. Uit de uitkeringsspecificatie van de gemeente Rotterdam blijkt dat eiser maandelijks een bedrag van € 572,04 ontvangt, zonder vakantiegeld, op grond van de Participatiewet. Bij de bepaling van dit bedrag is eiser aangemerkt als een alleenstaande boven de 21 jaar, een zogenoemde kostendeler. Dat betekent dat eiser in hetzelfde huis woont met een of meer personen met wie hij de kosten kan delen.
6. De rechtbank is van oordeel dat in de situatie van uitkering naar de kostendelersnorm qua betalingsmogelijkheden en –onmacht van griffierecht, er geen andere situatie is dan bij de gewone uitkering. Bij de invoering van de kostendelersnorm is onder andere verwezen naar budgetonderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek. (2004).
Equivalentiefactoren 1995–2000. Voorburg/Heerlen). De uitgangspunten van de kostendelersnorm vinden hierin bevestiging in die zin dat blijkt dat hoe meer mensen samenwonen, des te lager de kosten per persoon van levensonderhoud zijn. Zo heeft bijvoorbeeld een vierpersoonshuishouden niet vier keer zoveel kosten als een eenpersoonshuishouden, maar twee keer zoveel.
6.1.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser terecht niet is vrijgesteld van de betaling van het griffierecht omdat er bij hem geen sprake is van betalingsonmacht in de zin van de uitspraak van de CRvB van 13 februari 2015.
6.2.
Het beroep is niet-ontvankelijk.
6.3.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.M.L.J. Spierings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.