ECLI:NL:RBROT:2016:670

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 januari 2016
Publicatiedatum
28 januari 2016
Zaaknummer
C/10/486493 / HA ZA 15-1037
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 127a lid 2 RvArt. 127a lid 3 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van de instantie wegens te laat betaald griffierecht ondanks verzoek hardheidsclausule

De Vereniging van Eigenaren (VVE) heeft een procedure aangespannen tegen Stichting Woonstad Rotterdam (Woonstad). De VVE had haar vordering beperkt tot €100.000 om een lager griffierecht te betalen, maar hield geen rekening met buitengerechtelijke kosten die ook meetellen voor de hoogte van het griffierecht. Hierdoor werd het griffierecht te laat betaald, namelijk pas op 1 december 2015, terwijl dit binnen vier weken na de eerstdienende dag op 14 oktober 2015 had moeten gebeuren.

De rechtbank toetste of toepassing van de hardheidsclausule, die ontslag van de instantie bij te late betaling kan voorkomen, op zijn plaats was. De VVE stelde dat de advocaat door onjuiste mededelingen van de griffie en de verkregen uitstel voor Woonstad in de veronderstelling verkeerde dat de betalingstermijn was verlengd. De rechtbank oordeelde echter dat dit onvoldoende grond was voor toepassing van de hardheidsclausule, omdat het een menselijke fout van de advocaat betrof en van een advocaat mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de betalingstermijn en de gevolgen van overschrijding.

Daarom ontsloeg de rechtbank Woonstad van de instantie en veroordeelde de VVE in de proceskosten, begroot op €3.864 aan griffierecht. De uitspraak werd gedaan op 27 januari 2016 door rechter W.J. van den Bergh.

Uitkomst: De rechtbank ontslaat de gedaagde van de instantie wegens te late betaling van het griffierecht en wijst de toepassing van de hardheidsclausule af.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/486493 / HA ZA 15-1037
Vonnis van 27 januari 2016
in de zaak van
de vereniging
VERENIGING VAN EIGENAARS ZIJDEWINDESTRAAT 19AB TOT EN MET 35AB (ONEVEN) 41AB TOT EN MET 49AB (ONEVEN), 53 EN 55 AB,
gevestigd te Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. A.F.M. den Hollander,
tegen
de stichting
STICHTING WOONSTAD ROTTERDAM,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
advocaat mr. B.Th. van Schouwenburg.
Partijen zullen hierna de VVE en Woonstad worden genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 30 september 2015, met producties
  • de akte wijziging eis van 28 oktober 2015
  • de akte van de VVE van 30 december 2015.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Op grond van artikel 3 lid 1 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken is iedere verschenen partij in een civiele procedure een griffierecht verschuldigd. Op grond van het derde lid van die bepaling dient de eiser (in conventie) ervoor te zorgen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerstdiendende dag op de rekening van de rechtbank is bijgeschreven. Voor de gedaagde (in conventie) geldt een termijn van vier weken na zijn verschijning.
2.2.
Deze zaak diende voor het eerst op 14 oktober 2015. Uit de administratie van de rechtbank blijkt dat het griffierecht van de VVE pas op 1 december 2015 is ontvangen. Dat is dus te laat.
2.3.
Op grond van artikel 127a lid 2 Rv ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie als de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan. Op grond van artikel 127a lid 3 Rv laat de rechter deze consequentie buiten toepassing als hij van oordeel is dat dit, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).
2.4.
De VVE heeft bij akte het volgende aangevoerd. De vordering bij dagvaarding is beperkt tot een bedrag van € 100.000 zodat het lagere griffierecht verschuldigd zou zijn. Na ontvangst van de nota bleek het hogere griffierecht in rekening te zijn gebracht. Navraag bij de griffie leerde dat de som aan buitengerechtelijke kosten meetelden voor de bepaling van het griffierecht. Door medewerkers van de griffie zou zijn medegedeeld dat een akte wijziging van eis vereist was voor een correctie van het griffierecht. De raadsman van de VVE heeft diverse (telefonisch en schriftelijke) verzoeken heeft gedaan om het lagere griffierecht in rekening te laten brengen. Direct na ontvangst van de tweede aanmaning op 30 november 2015 is het griffierecht voldaan. De raadsman van de VVE was door de aanmaningen in de veronderstelling gebracht dat de betalingstermijn van vier weken na de eerst dienende dag telkens was verlengd door de aanmaningen. Woonstad heeft uitstel verkregen voor het nemen van de conclusie van antwoord zodat er voor Woonstad geen nadeel is ontstaan doordat het griffierecht eerst op 30 november 2015 is voldaan.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen grond bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule. Zij wijst daartoe op het volgende.
Het was kennelijk de bedoeling van de VVE haar vordering te beperken tot € 100.000 zodat zij een lager bedrag aan griffierecht verschuldigd zou zijn. Daarbij is over het hoofd gezien dat het bedrag aan buitengerechtelijke kosten meeweegt bij de bepaling van de hoogte van het griffierecht. Een dergelijke menselijke fout van (de advocaat van) de eisende partij levert onvoldoende grond op voor toepassing van de hardheidsclausule, ook in het geval de wederpartij uitstel voor haar conclusie heeft verkregen. Dat de griffie later per abuis een onjuiste mededeling heeft gedaan omtrent een correctie van het griffierecht, maakt dit niet anders. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aan zien van de procedure zonder meer geacht moet worden op de hoogte zijn van de betalingstermijn en de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan de overschrijding daarvan.
2.6.
De rechtbank zal Woonstad dan ook overeenkomstig het uitgangspunt van de wet van de instantie ontslaan.
2.7.
Gelet op het bepaalde in artikel 127a lid 2 Rv wordt de VVE veroordeeld in de proceskosten, te begroten op € 3.864,- aan griffierecht.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
ontslaat Woonstad van de instantie,
3.2.
veroordeelt de VVE in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Woonstad begroot op € 3.864,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2016.
1346/2504