ECLI:NL:RBROT:2016:7375
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot faillietverklaring wegens onvoldoende bewijs opeisbare vordering en betalingsonmacht
Verzoekster, een buitenlandse vennootschap, verzocht de rechtbank om verweerster, een Nederlandse BV, failliet te verklaren wegens het niet betalen van een vordering van €179.906,37. Verzoekster stelde dat zij materialen had geleverd conform een koopovereenkomst, maar dat betaling uitbleef. Verweerster betwistte dit en stelde dat verzoekster afval had geleverd in plaats van de overeengekomen kwaliteit, wat bleek uit een inspectierapport van de Chinese autoriteiten. Hierdoor zou de koopovereenkomst zijn ontbonden en schade zijn geleden.
De rechtbank overwoog dat er een geschil bestaat over de nakoming van de overeenkomst en de omvang van de vordering. Er was onvoldoende bewijs dat verzoekster een opeisbare vordering heeft en dat verweerster in de toestand verkeert van opgehouden te betalen. De kwestie over de kwaliteit van de geleverde materialen en de schade dient in een bodemprocedure of arbitrage te worden uitgevochten. Ook was onduidelijk welk recht van toepassing is.
Gelet op het ontbreken van voldoende feiten en omstandigheden om het faillissementsverzoek toe te wijzen, wees de rechtbank het verzoek af en veroordeelde verzoekster in de proceskosten. De steunvordering en andere stellingen van verzoekster werden niet inhoudelijk behandeld vanwege het ontbreken van een voldoende vaststaande vordering.
Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een opeisbare vordering en betalingsonmacht.