De man en vrouw, voormalige partners, hebben twee minderjarige kinderen. In 2009 is door de rechtbank Rotterdam een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding vastgesteld, inclusief een maandelijkse spaarverplichting en 50% bijdrage in schoolkosten. In 2014 verzocht de vrouw om wijziging van deze bijdrage, waarop de rechtbank de bijdrage verhoogde, maar oordeelde dat de spaarverplichting niet tot de onderhoudsverplichting behoort.
De man stelde zich vanaf 23 mei 2014 niet meer gehouden tot sparen en bijdrage in schoolkosten, omdat de verhoging van de bijdrage de basis van de afspraken aantastte. De rechtbank oordeelde dat de bijdrage in verzorging en opvoeding inclusief schoolkosten is bedoeld om consumptieve kosten te dekken en dat dubbele bijdragen onredelijk zijn. De spaarverplichting is bedoeld voor toekomstige kosten en blijft daarom onverminderd gelden.
De rechtbank verwierp het beroep van de man op rechtsdwaling. De man hoeft sinds 23 mei 2014 niet meer bij te dragen aan schoolkosten, maar blijft verplicht maandelijks te sparen. De vordering tot inzage in het spaargeld werd afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.