Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2016:7507

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 juni 2016
Publicatiedatum
3 oktober 2016
Zaaknummer
C/10/501383 / KG ZA 16-512
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1.2 JeugdwetArt. 6.1.12 lid 5 Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen spoedeisend belang bij schorsing machtiging gesloten jeugdhulp

Eiseres, moeder van een minderjarige die onder toezicht staat van een gecertificeerde instelling, vorderde in kort geding de schorsing van een machtiging tot plaatsing van haar kind in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Zij stelde dat sinds opname sprake zou zijn van automutilatie bij de minderjarige, een omstandigheid die zij als nieuw feit aanvoerde.

De rechtbank overwoog dat eiseres geen nieuwe feiten en omstandigheden had aangevoerd die niet reeds in de bodemprocedure waren betrokken, behalve de stelling van automutilatie. Deze werd echter gemotiveerd weersproken door Stichting Horizon en onvoldoende onderbouwd met stukken door eiseres.

Gezien het feit dat het hoger beroep op de beschikkingen reeds op korte termijn zou plaatsvinden, oordeelde de voorzieningenrechter dat het spoedeisend belang ontbrak. Daarom werd eiseres niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen en werden de proceskosten gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van spoedeisend belang bij haar vorderingen tot schorsing van de machtiging gesloten jeugdhulp.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Familie 2
zaaknummer / rolnummer: C/10/501383 / KG ZA 16-512
Vonnis in kort geding van 8 juni 2016
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. M. Erkens te 's-Gravenhage,
tegen
STICHTING HORIZON JEUGDZORG EN SPECIAAL ONDERWIJS,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de stichting] .
Partijen zullen hierna de vrouw en Stichting Horizon genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de mondelinge behandeling
  • de pleitnota van de moeder.
1.2.
De zaak is behandeld op 25 mei 2016.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
-de vrouw bijgestaan door haar advocaat voornoemd;
-stichting Horizon, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de stichting] .
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Eiseres is de moeder van [minderjarige] (de minderjarige), geboren op
[geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] .
2.2.
Het gezag over de minderjarige wordt door de vrouw gezamenlijk met [naam] , (de vader) uitgeoefend.
2.3.
De minderjarige staat onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, zijnde de gecertificeerde instelling (de GI).
2.4.
Bij beschikking van 2 februari 2016 is machtiging verleend om de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 4 februari 2016 tot 4 maart 2016. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
2.5.
Bij beschikking van 26 februari en 11 maart 2016 is machtiging verleend om de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 6.1.2, eerste lid van de Jeugdwet van 4 maart 2016 tot 26 juli 2016 en is het zelfstandige verzoek van de moeder strekkende tot vervallenverklaring c.q. schorsing van de machtiging tot plaatsing van 26 januari 2016 afgewezen.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert samengevat – primair Stichting Horizon te veroordelen om de tenuitvoerlegging van de verleende machtiging tot plaatsing te schorsen dan wel te stoppen op grond van artikel 6.1.12 lid 5 van de Jeugdwet, een afschrift van het volledige dossier van de minderjarige te doen afgeven en voorts dat Stichting Horizon een dwangsom van respectievelijk € 500,- en € 250,- verbeurt voor iedere dag dat nog uitvoering wordt gegeven aan die machtiging dan wel dat wordt nagelaten een afschrift te verstrekken en subsidiair dat Stichting Horizon stopt met controleren van post van en naar de minderjarige, een bezoekregeling vaststelt waarbij de vrouw ten minste vijf keer per week bij de minderjarige op bezoek mag en iedere dag mag bellen en toestaat dat familie van de minderjarige op bezoek komt en dat Stichting Horizon een dwangsom van
€ 100,- verbeurt voor iedere keer dat aan dit alles geen gehoor wordt gegeven.
3.2.
Stichting Horizon voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De voorzieningenrechter overweegt op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting dat de vrouw in hoger beroep is gekomen van voormelde beschikking van 26 februari en 11 maart doch dat de vrouw in de onderhavige procedure ter onderbouwing van een spoedeisend belang geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die niet reeds bij de beoordeling van die beschikking zijn betrokken, met uitzondering van de stelling dat bij de minderjarige sprake is van automutilatie sinds zij in die instelling verblijft. De voorzieningenrechter acht de stelling van de vrouw evenwel niet aannemelijk, nu dit gemotiveerd is betwist door Stichting Horizon en nu de vrouw geen stukken heeft overgelegd waaruit de juistheid van haar stelling blijkt. Daar komt bij dat het hoger beroep op 22 juni 2016 dient, zodat de uitkomst van die procedure dient te worden afgewacht.
4.2.
De voorzieningenrechter is op grond van voorgaande, van oordeel dat het spoedeisende belang van de vrouw bij haar vorderingen ontbreekt. De voorzieningenrechter zal de vrouw met inachtneming van het voorgaande niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen.
4.3.
Gelet op de aard van de zaak ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om één der partijen te veroordelen in de kosten van deze procedure. De voorzieningenrechter zal derhalve de proceskosten tussen hen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar vorderingen,
5.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C. van Reekum en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2016.