De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen de verdachte die werd verdacht van medeplegen van de (verlengde) invoer van circa 1140 kilogram cocaïne, verborgen in een lading bananen vanuit Ecuador.
De cocaïne werd aangetroffen in 125 bananendozen na aankomst in de haven van Vlissingen. Verdachte was betrokken bij het lossen en opslaan van de bananen en had meerdere besprekingen met medeverdachten. De officier van justitie stelde dat verdachte opzet in voorwaardelijke zin had, omdat hij zich bewust zou zijn geweest van de aanmerkelijke kans op aanwezigheid van cocaïne.
Verdachte ontkende wetenschap van de cocaïne en verklaarde dat zijn werkzaamheden uitsluitend betrekking hadden op de bananen als salesmanager, zonder vermoeden van illegale lading. De rechtbank vond zijn verklaring consistent en aannemelijk, en concludeerde dat de wetenschap van de cocaïne niet wettig en overtuigend was bewezen.
Daarom sprak de rechtbank de verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten en hief het bevel tot voorlopige hechtenis op.