ECLI:NL:RBROT:2016:8076

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 september 2016
Publicatiedatum
24 oktober 2016
Zaaknummer
509022
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarige na vernietiging gezagsbeëindiging

De rechtbank Rotterdam behandelde op 30 september 2016 een verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige. Eerder was het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd, maar het gerechtshof Den Haag vernietigde deze beslissing en herstelde het gezag bij de moeder.

De minderjarige verblijft sinds 2010 in een pleeggezin waar zij structuur en begrenzing ontvangt. De Raad en de gecertificeerde instelling (GI) benadrukken dat de uitspraak van het hof spanningen en stress bij de minderjarige heeft veroorzaakt, die zich terugtrekt en een loyaliteitsconflict ervaart tussen moeder en pleegouders.

De moeder is financieel niet in staat de verzorgingskosten te dragen en kan onvoldoende opvoedingssturing bieden. De rechtbank oordeelt dat ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing noodzakelijk zijn om de ontwikkeling en verzorging van de minderjarige te waarborgen, en stelt de minderjarige voor twaalf maanden onder toezicht van de GI met machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening.

Uitkomst: De rechtbank stelt de minderjarige onder toezicht en machtigt de uithuisplaatsing voor twaalf maanden.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/509022 / JE RK 16-2629
datum uitspraak: 30 september 2016

beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,
betreffende

[Naam van de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [roepnaam]
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[Naam van de moeder] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] ,

[naam] , hierna te noemen de pleegouders,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 26 augustus 2016, ingekomen bij de griffie op 30 augustus 2016;
- de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 31 augustus 2016, ter zitting door de vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming (hierna: de GI) overgelegd.
Op 30 september 2016 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.
Gehoord zijn:
- de vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam] ;
- de vertegenwoordigers van de GI, mw. [naam] en dhr. [naam] .
Opgeroepen en niet verschenen zijn:
- de minderjarige [roepnaam] ;
- de moeder;
- de pleegouders.

De feiten

Bij beschikking van 14 januari 2016 van de rechtbank Rotterdam is het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige] beëindigd. Het gerechtshof Den Haag heeft in het arrest van
31 augustus 2016 de beschikking van de rechtbank Rotterdam vernietigd. Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] wordt sindsdien opnieuw uitgeoefend door de moeder.
[de minderjarige] verblijft in een voorziening voor pleegzorg.

Het verzoek

De Raad heeft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verzocht voor de duur van twaalf maanden. Tevens wordt de uithuisplaatsing van [de minderjarige] verzocht voor de duur van twaalf maanden in een voorziening voor pleegzorg.
Ter zitting heeft de Raad het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Het gerechtshof heeft de moeder weer hersteld in haar gezag over [de minderjarige] , onder de voorwaarde dat de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing weer van kracht worden. Gelet op de uitspraak van het hof heeft de Raad een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing moeten doen. De Raad is van mening dat een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing ook nodig zijn om de ontwikkeling van [de minderjarige] te waarborgen. De Raad merkt op dat de uitspraak van het Hof voor nieuwe spanningen en onrust heeft geleid bij [de minderjarige] . [de minderjarige] trekt zich terug en baalt er nu van dat de pleegkinduitkering is weggevallen door de nieuwe situatie.

Het standpunt van de GI

De GI staat achter het verzoek van de Raad. Het gaat goed met [de minderjarige] in het huidige pleeggezin. Zij krijgt daar de juiste structuur en begrenzing geboden. De GI onderschrijft dat [de minderjarige] veel stress ervaart door de uitspraak van het hof. De moeder blijkt nu mogelijkheden tot een thuisplaatsing van [de minderjarige] te zien en heeft de neiging aan [de minderjarige] te trekken. [de minderjarige] heeft haar moeder daarom de afgelopen maand vermeden. De moeder heeft tijdens de zitting bij het hof aangegeven achter de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing te staan, maar heeft vrijwel direct daarna aangegeven hier toch anders over te denken. Slechts onder de druk van de omstandigheden had zij zich zo geuit. De GI is voornemens binnenkort een perspectiefbijeenkomst te organiseren om de mogelijkheden voor [de minderjarige] te bespreken. [de minderjarige] heeft aangegeven na haar achttiende verjaardag niet naar haar moeder, maar graag op kamers te willen, wat voor de moeder pijnlijk zal kunnen zijn. De GI wil [de minderjarige] ondersteunen in het maken van haar eigen verantwoordelijke keuzes.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is het volgende gebleken.
[de minderjarige] verblijft sinds 2010 in het huidige pleeggezin en in dit pleeggezin ligt in ieder geval tot aan haar achttiende verjaardag, haar perspectief. Bij beschikking van 14 januari 2016 is daarom het gezag van de moeder beëindigd, omdat de aanvaardbare termijn reeds lang was verstreken en [de minderjarige] gebaat was bij duidelijkheid over haar perspectief. Deze beslissing is echter door het hof vernietigd in het arrest van 31 augustus 2016. Het hof heeft daartoe onder andere overwogen dat in het geval van [de minderjarige] een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing meer passend is.
De moeder is thans weer belast met het gezag over [de minderjarige] . De kinderbeschermingsmaatregelen konden in het verleden nooit gemist worden. [de minderjarige] is gebaat bij continuering van het verblijf bij de pleegouders. [de minderjarige] is ingegroeid in het pleeggezin en het gaat hier goed met haar. De moeder is niet in staat voldoende bij de opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] aan te sluiten, omdat de moeder haar onvoldoende kan sturen en begrenzen. In het pleeggezin krijgt [de minderjarige] deze sturing en begrenzing wel geboden. De ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing zijn thans weer noodzakelijk, ook om de praktische zaken voor [de minderjarige] te bewerkstellingen, zoals de kosten voor haar verzorging en opvoeding. Gebleken is dat sinds alle kinderbeschermingsmaatregelen weggevallen zijn, er geen aanspraak was op een pleegzorgvergoeding. De moeder kan vanwege financiële problematiek ook niet de kosten voor de opvoeding en verzorging van [de minderjarige] dragen. Daar komt bij dat [de minderjarige] zich momenteel in toegenomen mate in een loyaliteitsconflict bevindt, ten gevolge waarvan zij zich thans terugtrekt uit het contact met haar moeder. Zij zit klem tussen haar moeder, die aan haar trekt, en de pleegouders. Ook hierbij heeft [de minderjarige] ondersteuning en begeleiding van de GI nodig, in het kader van de ondertoezichtstelling.
Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom [de minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW.

De beslissing

De kinderrechter:
stelt [de minderjarige] onder toezicht van de GI met ingang van 30 september 2016 tot
30 september 2017;
verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 30 september 2016 tot 30 september 2017;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. de Geus, kinderrechter, in tegenwoordigheid van
F. de Kievit als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2016.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.