ECLI:NL:RBROT:2016:9212

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 oktober 2016
Publicatiedatum
30 november 2016
Zaaknummer
C/10/506570 / FT RK 16/439
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Faillissementswet 6
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van het verzoek tot faillietverklaring wegens onvoldoende onderbouwing van steunvorderingen

De coöperatie heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek ingediend tot faillietverklaring van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BV) op grond van een financieringsovereenkomst. Tijdens de zittingen op 13 en 27 september 2016 hebben partijen hun standpunten toegelicht en aanvullende stukken overgelegd.

De rechtbank stelde vast dat verzoekster een opeisbare vordering van circa € 348.000 heeft op verweerster. Ter onderbouwing van haar steunvorderingen verwees verzoekster naar vorderingen van de belastingdienst, accountant en andere partijen. Deze vorderingen werden door verweerster gemotiveerd weersproken en verzoekster slaagde er niet in deze nader te onderbouwen.

Met betrekking tot een specifieke vordering van een derde partij stelde verweerster dat er nog geen directe aansprakelijkheid bestond omdat de vordering gedekt was door een hypotheek op onroerend goed dat te koop stond. Verzoekster kon niet aantonen dat verweerster reeds aansprakelijk was voor deze vordering.

Gezien het gebrek aan voldoende onderbouwing van de steunvorderingen en het ontbreken van een aannemelijke opeisbare vordering, wees de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open binnen acht dagen.

Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de steunvorderingen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie
Rekestnummer: [nummer]
BESCHIKKING op het verzoek van:
de coöperatie
[naam 1]
gevestigd te [plaats 1] ,
verzoekster,
advocaat: mr. J.P. Nonnekes,
strekkende tot faillietverklaring van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[naam 2] B.V.,
kantoorhoudende aan de [adres]
[plaats 2] ,
verweerster.

1.De procedure

Verzoekster, bij monde van haar advocaat, mr. J.P. Nonnekes en in aanwezigheid van de heer [naam 3] en mevrouw [naam 4] , en verweerster, bij monde van haar (middellijk) bestuurder, de heer [naam 5] , en advocaat, mr. J. Kloots, zijn op 13 september 2016 en op 27 september 2016 in raadkamer verschenen en gehoord.
Ter terechtzitting van 13 en 27 september 2016 zijn door mr. Nonnekes en mr. Kloots aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.

2.De standpunten

Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de desbetreffende gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting.

3.De beoordeling

Er is voldoende duidelijk komen vast te staan dat verzoekster een opeisbare vordering heeft op verweerster ter hoogte van ongeveer € 348.000 uit hoofde van een financieringsovereenkomst tussen verzoekster enerzijds en verweerster en [naam 6] B.V. anderzijds.
Ter onderbouwing van de steunvorderingen heeft verzoekster gewezen op vorderingen van de belastingdienst, van de accountant, van [naam 10] B.V. en van [naam 9] . Deze vorderingen zijn ter zitting van 13 september 2016 door verweerster weersproken. De behandeling van het faillissementsrekest is vervolgens twee weken aangehouden, onder meer om verzoekster in de gelegenheid te stellen het bestaan en de omvang van de door haar opgevoerde steunvorderingen nader te onderbouwen.
Ter zitting van 27 september 2016 is het bestaan van vorderingen van de belastingdienst, de accountant en van [naam 10] door verweerster gemotiveerd weersproken en door verzoekster daar tegenover niet nader onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen.
Ten aanzien van de vordering van [naam 9] heeft verzoekster gewezen op de jaarstukken van [naam 8] B.V., waarin staat dat [naam 9] het openstaande bedrag van haar vordering heeft opgeëist per 17 maart 2015. Verder heeft verzoekster verwezen naar de akte van hypotheek van 24 december 2015 tussen [naam 8] B.V. en verweerster enerzijds, en [naam 10] B.V. anderzijds, waarin de vordering van [naam 9] wordt genoemd. Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat er nog geen sprake is van een rechtstreekse vordering van [naam 9] op haar, nu er slechts sprake is van een vordering indien en voor zover [naam 8] B.V. niet aan haar betaalverplichtingen jegens [naam 9] kan voldoen. Van deze situatie is volgens verweerster geen sprake, nu de vordering van [naam 9] is gedekt door een hypotheek op het onroerend goed, welk onderpand te koop staat en voldoende is om de vordering te dekken. Nu verzoekster niet nader heeft kunnen onderbouwen waarom verweerster thans reeds aansprakelijk is, kan niet worden aangenomen dat er sprake is van een vordering op verweerster van [naam 9] .
Het verzoek tot faillietverklaring zal daarom worden afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst af het verzoek tot faillietverklaring.
Deze beschikking is op 4 oktober 2016 gegeven door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Verberne, griffier. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.