In deze zaak heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. H.L. de Gruijl-van Benthem, voorzieningenrechter in een kort geding familieprocedure. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid van de rechter tijdens de behandeling van het verzet in kort geding, onder meer vanwege een voorlopig oordeel en het toelaten van een eis in reconventie.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de feiten die ter zitting van de wrakingskamer waren aangevoerd en heeft de aanvullende gronden die eerst daar werden ingebracht buiten beschouwing gelaten. De kamer benadrukte dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor het tegendeel.
De kamer oordeelde dat de door verzoekster aangevoerde omstandigheden onvoldoende objectieve aanwijzingen bevatten voor vooringenomenheid. Het voorstel van de rechter voor een tijdelijke regeling werd gezien als een normale taakuitoefening binnen de zitting. Het wrakingsverzoek werd daarom ongegrond verklaard en afgewezen.
De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam en uitgesproken op 5 oktober 2016.