Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 6 september 2016, met producties;
- de akte van uitlating van 9 november 2016.
Rechtbank Rotterdam
In deze civiele procedure bij de Rechtbank Rotterdam werd het incident behandeld omtrent de te late betaling van het griffierecht door eiseres. De rechtbank constateerde dat het griffierecht niet binnen de wettelijk gestelde termijn was voldaan, maar pas acht dagen na het verstrijken van deze termijn bijgeschreven was.
Eiseres voerde aan dat de betaling slechts twee dagen te laat was en beriep zich op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv, stellende dat toepassing van ontslag van instantie tot een onbillijke situatie zou leiden. Zij verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad en het Gerechtshof Amsterdam, waarin onder omstandigheden de hardheidsclausule werd toegepast.
De rechtbank oordeelde dat de betalingstermijn uit de wet voortvloeit en dat eiseres, vertegenwoordigd door een advocaat, geacht wordt hiervan op de hoogte te zijn. De stelling van eiseres dat de betaling slechts twee dagen te laat was, werd niet onderbouwd. Bovendien is in deze zaak sprake van eerste aanleg, waardoor ontslag van instantie niet fataal is omdat de vordering opnieuw kan worden ingesteld.
Daarom werd de hardheidsclausule niet toegepast en werd gedaagde ontslagen van de instantie. Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten, begroot op € 885,00 aan griffierecht.
Uitkomst: Gedaagde wordt ontslagen van de instantie wegens te late betaling van het griffierecht; hardheidsclausule wordt niet toegepast.