ECLI:NL:RBROT:2016:9904

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 december 2016
Publicatiedatum
21 december 2016
Zaaknummer
ROT 16/2642
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbParticipatiewet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht ondanks betalingsonmacht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam en werd door de griffier gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht van €168,-. Ondanks meerdere aanmaningen en verzoeken tot vrijstelling wegens betalingsonmacht, betaalde eiser het griffierecht niet.

De rechtbank toetste de door eiser aangevoerde betalingsonmacht aan de criteria uit een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Eiser ontving een uitkering volgens de Participatiewet en had geen vermogen, maar zijn netto-inkomen lag boven 90% van de bijstandsnorm, mede doordat inhoudingen op de uitkering geen schulden betroffen maar vaste lasten. Eiser verscheen niet op de zitting om nadere toelichting te geven.

De rechtbank concludeerde dat eiser in verzuim was door het griffierecht niet te betalen en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van het griffierecht ondanks afgewezen verzoek tot vrijstelling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 16/2642

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,gemachtigde: mr. J.A. Karreman.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 april 2016.
Bij brief van 21 april 2016 heeft de griffier eiser erop gewezen dat hij een griffierecht van € 168,- verschuldigd is en hem verzocht dit bedrag binnen vier weken te voldoen.
Bij aangetekend verzonden brief van 20 mei 2016 heeft de griffier eiser hieraan herinnerd. Eiser is daarbij aangemaand genoemd bedrag binnen vier weken alsnog te voldoen. Hij is er op gewezen dat hij het risico loopt dat zijn beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard als hij het griffierecht niet of niet tijdig betaalt.
Bij brief gedateerd 1 juni 2016, heeft eiser naar voren gebracht dat hij niet in staat is het griffierecht te betalen.
Bij brief van 15 juni 2016 heeft de griffier het beroep op betalingsonmacht afgewezen.
Eiser is daarna bij aangetekend verzonden brief van 15 juli nogmaals in de gelegenheid het griffierecht alsnog te voldoen.
Op 25 juli 2016 heeft eiser nogmaals verzocht van betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. Dat verzoek is door de griffier afgewezen bij brief van 4 augustus 2016. Waarna op 5 augustus 2016 (niet aangetekend) en bij brief van 3 september 2016 (aangetekend) het betalingsverzoek nogmaals is gedaan.
Eiser heeft het griffierecht niet betaald.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2016. Eiser is niet op de zitting verschenen. Verweerder heeft zich op de zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt door de griffier van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven. Op grond van het zesde lid van dit artikel is het beroep niet-ontvankelijk als het griffierecht niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Ter beoordeling staat of eiser in verzuim is door het niet betalen van het griffierecht.
2.1
In zijn uitspraak van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282) heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat sprake is van betalingsonmacht als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken lager is dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm en hij ook niet beschikt over vermogen.
2.2
Volgens de door eiser verstrekte informatie (uitkeringsspecificatie mei 2016) ontvangt hij een uitkering op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Eiser heeft op een inlichtingenformulier aangegeven dat hij geen vermogen heeft.
Op de uitkering wordt een bedrag van € 48,- per maand ingehouden in verband met een schuldhulpverleningstraject van de gemeente Rotterdam. Van verdere inhouding op de uitkering in verband met schulden is niet gebleken.
Het inkomen van eiser komt daarmee niet onder 90% van de voor een alleenstaande geldende maximale bijstandsnorm.
2.3
Dat betekent dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde voor vrijstelling zoals in de hierboven genoemde uitspraak van 13 februari 2015 geformuleerd. Dat eiser geen bijzondere bijstand ontvangt voor de kosten van het griffierecht maakt dat niet anders. De inhoudingen op de uitkering van (waarschijnlijk) de huur en de betaling aan Eneco maakt dat ook niet anders. Dat zijn geen inhoudingen in verband met afbetaling van schulden maar betalingen van vaste lasten die iedere bijstandsgerechtigde moet doen. Op de uitkeringsspecificatie van juli 2016 staat ook nog vermeld een inhouding van € 18,75 voor: “ENECO-KOPPELIN (regeling) 0371869001”. Of dat een inhouding is in verband met een schuld is niet duidelijk. Eiser had daar ter zitting duidelijkheid over kunnen geven, maar hij is niet naar de zitting gekomen. Maar zelfs als met dat bedrag rekening wordt gehouden, komt eiser niet onder de genoemde 90%-norm.
2.4
De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser in verzuim is door het griffierecht niet te betalen.
3. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzitter en mr. B. van Velzen en mr. A.C. Rop, leden, in aanwezigheid van S.A. Bakker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2016
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.