De huurder [gedaagde] huurt sinds 1 april 2009 een woning van [eiser]. [Eiser] zegt de huurovereenkomst op wegens dringend eigen gebruik, wat door [gedaagde] wordt betwist vanwege zijn medische situatie en het ontbreken van instemming. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft, mede omdat hij geen andere woonruimte bezit en een zwervend bestaan leidt.
Hoewel [gedaagde] stelt dat verhuizen medisch gezien onwenselijk is, ontbreekt een medische verklaring ter onderbouwing. De kantonrechter acht de belangenafweging in het voordeel van [eiser], mede gezien de lange periode dat [gedaagde] op de hoogte is van de wens tot beëindiging. De huurovereenkomst eindigt op 1 februari 2018, waarna ontruiming moet plaatsvinden.
In de voorwaardelijke reconventie vordert [gedaagde] een verhuis- en inrichtingsvergoeding. [Eiser] verklaart bereid te zijn €5.910 te betalen, gelijk aan het gevorderde bedrag. De kantonrechter wijst deze vergoeding toe en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.