ECLI:NL:RBROT:2017:10296

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 oktober 2017
Publicatiedatum
11 januari 2018
Zaaknummer
15.1921 ea
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 sub c Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming verplichtingen en geen saneringsgezinde houding

De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 27 oktober 2017 de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de schuldenaar. De bewindvoerder had de rechter-commissaris verzocht om deze beëindiging vanwege het niet naar behoren nakomen van de informatie- en sollicitatieverplichtingen door de schuldenaar, het ontstaan van nieuwe schulden en het laten ontstaan van een boedelachterstand.

De schuldenaar had ondanks een eerdere verlenging van de regeling onvoldoende gesolliciteerd en de bewindvoerder niet tijdig en volledig geïnformeerd over zijn financiële situatie, waaronder een nieuwe schuld aan de gemeente Rotterdam. Tijdens de zitting gaf de schuldenaar aan drie maanden niet te hebben kunnen solliciteren vanwege een opname in een kliniek wegens verslaving, maar toonde geen intentie tot hulpverlening.

De rechtbank oordeelde dat de schuldenaar toerekenbaar tekort was geschoten in zijn verplichtingen en geen saneringsgezinde houding had, mede gelet op zijn agressieve gedrag tijdens de zitting en de terugval in verslavingsproblematiek. De toepassing van de schuldsaneringsregeling werd daarom beëindigd op grond van artikel 350 lid 3 sub c van Pro de Faillissementswet. Tevens werd het salaris van de bewindvoerder vastgesteld, waarbij geen baten beschikbaar zijn voor voldoening van vorderingen.

Uitkomst: De rechtbank beëindigt de schuldsaneringsregeling wegens niet-nakoming van verplichtingen en geen saneringsgezinde houding.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
tussentijdse beëindiging
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 27 oktober 2017
Bij vonnis van deze rechtbank van 30 september 2015 is de toepassing van de
schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[naam],
[adres]
[woonplaats]
schuldenaar,
bewindvoerder: mr. W.P. Groenendijk.

1.De procedure

De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 28 september 2017 met dit verzoek ingestemd.
De bewindvoerder en schuldenaar zijn gehoord ter terechtzitting van 20 oktober 2017.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De standpunten

Als grond voor de voordracht tot tussentijdse beëindiging is door de bewindvoerder aangevoerd dat schuldenaar zijn informatie- en sollicitatieverplichting niet naar behoren is nagekomen. Daarnaast heeft schuldenaar een boedelachterstand en nieuwe schulden laten ontstaan. Schuldenaar informeert de bewindvoerder te laat en onvolledig. Per beschikking van 8 februari 2017 is de termijn van de schuldsaneringsregeling verlengd met zes maanden vanwege het niet naar behoren nakomen van de sollicitatieverplichting. Desondanks heeft schuldenaar ook nadien verschillende maanden onvoldoende gesolliciteerd. Tevens heeft schuldenaar een boedelachterstand van € 19,51 laten ontstaan wegens het niet afdragen van een gedeelte van zijn vakantiegeld 2017. Voorts heeft schuldenaar een nieuwe schuld aan de Gemeente Rotterdam van € 4.961,31, inclusief een boete van € 830,00, laten ontstaan. Schuldenaar heeft, ondanks de toezegging tijdens het verhoor met de rechter-commissaris op 4 januari 2017, verzuimt de bewindvoerder op de hoogte te houden van de ontwikkelingen met betrekking tot deze nieuwe schuld.
De bewindvoerder heeft op 13 oktober 2017 een laatste stand van zaken uitgebracht, waarin hij aangeeft dat ook voor de maanden augustus en september 2017 geen inlichtingenformulieren met sollicitaties dan wel gegevens omtrent inkomsten en uitgaven zijn ontvangen.
De bewindvoerder heeft ter terechtzitting verklaard dat schuldenaar geen ontheffing heeft van de sollicitatieplicht van de Sociale Dienst. Tevens heeft de bewindvoerder verklaard dat schuldenaar geen duidelijk antwoord geeft op de vraag of hij van plan is hulp te gaan zoeken.
Schuldenaar heeft ter terechtzitting verklaard dat hij drie maanden niet heeft kunnen solliciteren nadat hij was ontslagen uit de kliniek, waar hij vanwege een verslaving was opgenomen. Voorts heeft schuldenaar verklaard dat hij geen hulpverlening heeft.

3.De beoordeling

De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 47.900,76 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen. De rechtbank oordeelt dat schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat schuldenaar zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren is nagekomen. Schuldenaar heeft ondanks verlenging van zijn schuldsaneringsregeling meerdere maanden niet of onvoldoende gesolliciteerd gedurende deze verlenging. Daarnaast heeft schuldenaar de bewindvoerder niet naar behoren geïnformeerd. Ondanks verzoeken hiertoe heeft hij de bewindvoerder onvoldoende op de hoogte gehouden omtrent de ontwikkelingen met betrekking tot de nieuwe schuld aan de Gemeente Rotterdam en zijn financiële situatie.
Dat bovengenoemde tekortkomingen schuldenaar niet te verwijten zijn, is onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat schuldenaar, in elk geval na het verhoor door de rechter-commissaris van 4 januari 2017, van de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling goed op de hoogte moet zijn geweest. Dat blijkt ook uit het feit dat schuldenaar in de maanden januari en februari 2017 heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat schuldenaar geen saneringsgezinde houding heeft, nu hij kennelijk is teruggevallen in zijn verslavingsproblematiek. Ook tijdens de terechtzitting heeft schuldenaar geen saneringsgezinde houding laten zien. Schuldenaar kwam zowel in woord als gebaar agressief over. Daarnaast was schuldenaar vaag in zijn bewoordingen en was het lastig om een functioneel gesprek met hem te voeren.
De toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c, Faillissementswet (hierna: Fw).
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.
De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.

4.De beslissing

De rechtbank:
- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;
- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 2.630,74;
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Geurts-de Veld, rechter, en in aanwezigheid van
B.G. van der Vlies, griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2017. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.