De rechtbank Rotterdam behandelde op 4 december 2017 de vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De bijzondere voorwaarde was dat de veroordeelde zou verblijven in een instelling voor begeleid wonen zolang de reclassering dat noodzakelijk acht.
De reclassering rapporteerde aanvankelijk dat de veroordeelde deze bijzondere voorwaarde had overtreden door niet terug te keren naar de instelling en een terugval in harddruggebruik te hebben gehad. De veroordeelde verbleef sinds 19 oktober 2017 bij het Leger des Heils en het toezicht was daardoor niet uitvoerbaar. Later rapporteerde de reclassering echter dat de situatie verbeterd was: de veroordeelde volgde ambulante behandeling, werkte mee aan zijn verslavingsproblematiek en had gesprekken met een psychiater.
Tijdens de zitting verklaarde de veroordeelde de begeleiding te willen voortzetten en zijn best te doen om terugval te voorkomen. De rechtbank concludeerde dat de bijzondere voorwaarde verwijtbaar was overtreden, maar gezien de verbeterde situatie en het voortgezette toezicht zag zij aanleiding om de vordering af te wijzen en de veroordeelde een laatste kans te geven om aan de voorwaarden te voldoen.