Uitspraak
[naam verzoeker 4] ,
[naam verzoeker 5] ,
Rechtbank Rotterdam
Verzoekers hebben een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken was bij de procedure betreffende de heropening van de vereffening van een besloten vennootschap. Het verzoek was gebaseerd op vermeende vooringenomenheid van de rechter, mede voortkomend uit opmerkingen tijdens een zitting en een onjuiste weergave in het proces-verbaal.
De rechtbank heeft het wrakingsverzoek beoordeeld en vastgesteld dat het verzoek niet tijdig is ingediend, aangezien het zwaartepunt van de gronden voor wraking al op 18 juli 2017 bekend was en het verzoek pas op 12 oktober 2017 werd ingediend. Tevens was er een verzoek tot correctie van het proces-verbaal gedaan op 25 augustus 2017 waarop geen reactie kwam, maar ook dit rechtvaardigde geen latere indiening zonder nadere toelichting.
De rechtbank oordeelde dat het doel van wraking, namelijk het waarborgen van onpartijdigheid tijdens de behandeling van een zaak, niet meer bereikt kan worden als reeds een eindbeschikking is gegeven, hoewel in deze zaak nog verdere beslissingen te verwachten zijn. Gezien het tijdsverloop en het ontbreken van een voldoende verklaring voor de vertraging, verklaarde de rechtbank de verzoekers niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard in hun wrakingsverzoek wegens te late indiening.