ECLI:NL:RBROT:2017:10889

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
3 oktober 2017
Publicatiedatum
29 mei 2018
Zaaknummer
10/720035-14
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder B OpiumwetArt. 3 onder C OpiumwetArt. 47 lid 1 Wetboek van StrafrechtArt. 48 lid 1 Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van medeplegen hennepteelt en bezit

De rechtbank Rotterdam behandelde op 3 oktober 2017 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen en medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, met betrekking tot hennepteelt en bezit.

De officier van justitie had een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk en een taakstraf geëist, maar de rechtbank oordeelde dat het primaire feit niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak verdachte vrij zonder nadere motivering. Ook het subsidiaire feit en het tweede feit werden vrijgesproken vanwege te veel twijfel over de wetenschap en betrokkenheid van verdachte.

De rechtbank baseerde zich op verklaringen van getuigen en verdachte, financiële transacties en de aanwezigheid van spullen van verdachte in de loods, maar vond de verklaringen onderling inconsistent en onvoldoende om schuld te bewijzen. De verdachte werd derhalve vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van medeplegen en medeplichtigheid aan hennepteelt en bezit.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10/720035-14
Datum uitspraak: 3 oktober 2017
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,
raadsvrouw mr. K. van de Wijngaart, advocaat te Schiedam.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 september 2017.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Tiebosch heeft gevorderd:
  • vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;
  • bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede een taakstraf voor de duur van 120 uur.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak feit 1 primair zonder nadere motivering
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.
4.2.
Vrijspraak feit 1 subsidiair en feit 2
4.2.1.
Standpunt officier van justitie
De hennepkwekerij is aangetroffen in een loods die toebehoorde aan de verdachte. De loods was afgesloten met een deur, waarvan de verdachte de sleutel in zijn bezit had, zo blijkt uit de verklaring van getuige [naam getuige] . In de loods waarin zich een doorgang bevond naar de loods waar de kwekerij was aangelegd, zijn spullen van de verdachte aangetroffen. Ook is er een aantal grote bedragen op de bankrekening van de verdachte bijgeboekt en vervolgens contant opgenomen. Deze geldstromen zijn door de verdachte niet met een deugdelijke boekhouding verantwoord. De verdachte was voorts aanwezig bij het aanleggen van een extra elektragroep in de loods.
Aangevoerd is dat de verklaring van de verdachte die hij hieromtrent geeft, kennelijk leugenachtig is. De verklaring is in strijd met door getuigen afgelegde verklaringen en is niet verifieerbaar. De verklaring van de verdachte moet daarom ter zijde worden geschoven.
4.2.2.
Beoordeling
Het dossier bevat weliswaar bij een eerste lezing aanwijzingen dat de verdachte wetenschap had van de hennepkwekerij. Bij een nauwkeurige bestudering van deze bewijsmiddelen blijven evenwel te veel onderlinge verschillen en onduidelijkheden over, onder meer op het punt wanneer bepaalde gebeurtenissen zich zouden hebben afgespeeld. Bij de rechtbank bestaat, alles overziend, daarom twijfel of de verdachte op de hoogte was of kon zijn van de hennep(kwekerij) in de door hem aan een ander verhuurde loods, en of hij de loods met dit doel aan die ander ter beschikking heeft gesteld. Bij deze mate van twijfel dient vrijspraak te volgen.
4.2.3.
Conclusie
Het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

6.Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
en mrs. M. Smit en G.P. van de Beek, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. van Hemert, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
Primair
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 oktober 2013 tot en met 9 juni 2014 te Europoort, gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres delict] ) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan,
in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
art. 3 ahf Pro/ond B Opiumwet
art. 3 ahf Pro/ond C Opiumwet
art. 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht
Subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 oktober 2013 tot en met 9 juni 2014 te Europoort, gemeente Rotterdam met elkaar, althans één van hen, (telkens) opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres delict] ) een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan,
in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 15 oktober 2013 tot en met 9 juni 2014 te Europoort, gemeente Rotterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal
(telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen een gedeelte van voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
art. 3 ahf Pro/ond B Opiumwet
art. 3 ahf Pro/ond C Opiumwet
art. 48 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art. 48 lid 1 ahf Pro/sub 2 Wetboek van Strafrecht
2.
hij op of omstreeks 10 juni 2014 te Europoort, gemeente Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres delict] ) ongeveer 200 gram hennep, althans een aanzienlijke hoeveelheid hennep,in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
art. 3 ahf Pro/ond C Opiumwet
art. 11 lid 2 Opiumwet Pro