De rechtbank Rotterdam behandelde op 3 oktober 2017 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen en medeplichtigheid aan het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, met betrekking tot hennepteelt en bezit.
De officier van justitie had een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk en een taakstraf geëist, maar de rechtbank oordeelde dat het primaire feit niet wettig en overtuigend was bewezen en sprak verdachte vrij zonder nadere motivering. Ook het subsidiaire feit en het tweede feit werden vrijgesproken vanwege te veel twijfel over de wetenschap en betrokkenheid van verdachte.
De rechtbank baseerde zich op verklaringen van getuigen en verdachte, financiële transacties en de aanwezigheid van spullen van verdachte in de loods, maar vond de verklaringen onderling inconsistent en onvoldoende om schuld te bewijzen. De verdachte werd derhalve vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.