ECLI:NL:RBROT:2017:10890
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak
De rechtbank Rotterdam behandelde op 3 oktober 2017 een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie vorderde betaling van een bedrag tot maximaal € 674.212,32, verkregen uit feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.
De verdediging bepleitte vrijspraak van de ten laste gelegde feiten en afwijzing van de vordering tot ontneming. De rechtbank sprak de veroordeelde op dezelfde dag vrij van de ten laste gelegde feiten, zoals blijkt uit het bijgevoegde vonnis. Gezien deze vrijspraak kon de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet worden toegewezen.
Daarom wees de rechtbank de vordering van de officier van justitie af. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam, onder voorzitterschap van W.A.F. Damen en met M. Smit en G.P. van de Beek als rechters.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming af omdat de verdachte is vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten.