ECLI:NL:RBROT:2017:1307
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking exploitatievergunning horeca-inrichtingen Rotterdam
Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester van Rotterdam om de exploitatievergunningen van twee horeca-inrichtingen in Rotterdam in te trekken vanwege herhaaldelijke overlast, vechtpartijen en geweldsincidenten. De voorzieningenrechter stelde vast dat er sprake was van een spoedeisend belang omdat de inrichtingen gesloten waren en verzoeker geen andere inkomsten had.
Uit het dossier bleek dat er meerdere incidenten hadden plaatsgevonden, waaronder vechtpartijen, bedreigingen en het toelaten van dronken bezoekers, ondanks waarschuwingen en voorwaarden in het exploitatieplan. Verzoeker voerde aan dat dergelijke incidenten inherent zijn aan nachthoreca en dat hij maatregelen had genomen, maar dit werd niet voldoende geacht.
De burgemeester had de vergunningen ingetrokken omdat het vertrouwen in verzoeker als exploitant was verloren, mede door het niet naleven van het exploitatieplan en het niet adequaat optreden bij incidenten. De voorzieningenrechter oordeelde dat de intrekking proportioneel was en dat het verlies van vertrouwen ook de tweede inrichting betrof vanwege nauwe exploitatieverbondenheid.
De voorzieningenrechter zag geen aanleiding om de intrekking van de vergunningen te schorsen en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Tevens werd het teveel betaalde griffierecht teruggestort. Tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de exploitatievergunningen wordt afgewezen.